De vreemdeling

Index
De Migrant als handelswaar.
Migreren zit in onze genen.
Kom in verzet; blokkeer etnische registratie! Een verzoek aan je gemeente volstaat.
‘Marokkanenlijsten’ in strijd met de Wet?
Van der Laan’s integratiebrief nader bekeken
Geschoolde allochtoon niet toleranter. Huh!?
Schaf het discriminerende en stigmatiserende begrippenpaar autochtoon-allochtoon onmiddellijk af!
Frank Bovenkerk : “Lakeman en de PVV stellen dwaze vragen…
Etnicisering van maatschappelijke problemen voedingsbodem voor polarisatie en vreemdelingenhaat.
Nederlandse Moslim jongeren.

Postcard N° 2
Transform yourself into a stranger! Travel! It is the only way to renew yourself.
From a poem by Abu Tammam

 

 

 

 

 


De Migrant als handelswaar.

We hebben het eigenlijk nooit hardop willen zeggen, maar in feite is de immigrant de moderne slaaf. Hij is nuttig als hij zich voegt naar onze eisen, zijn mond houdt, zijn identiteit ontkent en zijn geld opbrengt.

Nu blijkt, uit een zes jaar oud deelonderzoek van het CPB en het meer recente in opdracht van de PVV uitgevoerde Nyfer onderzoek dat die slaaf meer kost dan hij opbrengt is dat is volgens de rechtgeaarde trotse Nederlander schokkend.

De waarde van de mens af te meten aan zijn economische waarde is schokkend.
Een specifieke groep mensen meten aan de economische waarde die ze voor de rest van de groep hebben, is meer dan schokkend.
Vervolgens dit als argument gebruiken tegen de aanwezigheid van migranten in de samenleving is mensonwaardig.

SCHOKKEND.

116 reacties

terug naar boven


Migreren zit in onze genen.

Het trekken zat onze voorouders al in het bloed. Daarbij is opvallend dat zij die zich het meest verspreidden zich het langst hebben kunnen handhaven voordat de homo sapiens alleen heerser werd. Fossiel bewijsmateriaal laat zien dat de moderne mens tot ongeveer 100.000 jaar geleden in sub-Sahara Afrika geëvolueerd is. Vervolgens verspreiden ze zich naar het noorden waarbij ze de lokale populaties, vervingen en/of assimileerden. Zo ook de Cro-magnon die zich zo’n 28.000 jaar geleden tijdens het Laat-Paleolithicum in Zuid Europa vestigden en verder verspreidden, waarbij de Neanderthalers een zelfde lot ondergingen als hun voorgangers.

Het migreren heeft zich in de homo sapiens gesublimeerd, uitmondend in de Europese kolonisatie en daarop volgende migratiegolf waarbij het overgrote deel van de wereld op Europese leesd werd geschoeid.

Deze “totaal overheersing” heeft de migratie stromen een andere richting en ander karakter gegeven. Europa is, na eeuwen plaats van vertrek te zijn geweest, weer plaats van aankomst geworden. In tegenstelling tot de legalisatie van de migratie die aan het begin van de vorige eeuw plaatsvond, zijn we op dit moment getuigen van het illegaliseren van migratie.

Dit gebeurt deels door de toenemende regelgeving gericht op bovenwettelijke dan wel secundaire migratie, deels door de retoriek en overdrijving bij de opbouw van de begeleidende morele paniek, en deels door de migratiestromen zelf. Konden de Europeanen zich nog ongeremd over de wereld verspreiden, nu worden de nieuwe migratiestromen door, de door Europa en haar klonen in de nieuwe wereld geconstrueerde migratiewetgeving, onderscheiden en op verschillende gronden gereguleerd. Zo is er heden ten dagen sprake van arbeidsmigratie, asielzoekers, gezinshereniging en kosmopolitisme.

Het migratiebeleid leidt echter niet tot een afname van migratiestromen op zich, deze blijven voortgaan, daar waar mogelijk gebruikmakend van de mogelijkheden van de wet en regelgeving en zo niet, dan illegaal. Illegale migratie is een ernstige probleem voor alle betrokken, maar niet in de zin zoals dit in de media en door sommige politici wordt benadrukt. Het indammen van illegale migratie prijkt hoog op migratiebeleid agenda’s over de hele wereld. Toch is er een subtiele maar belangrijke verschuiving in de taal die gebruikt wordt door zowel de beleidsmakers als academici.

Sprak men eerst overwegende over de beheersing van illegale immigratie in de betekenis van terugdringen en stoppen,nu is er de neiging om te spreken van het beheer van illegale migratie. Ondanks het feit dat het Westen miljarden investeert om de illegale migratie tegen te gaan, is er ook een groeiende consensus dat illegale immigratie niet volledig kan worden gestopt. De krachten,zoals toenemende verschillen in het niveau van welvaart en menselijke veiligheid in verschillende samenlevingen, die bepalend zijn voor de omvang van internationale migratie – met inbegrip van illegale migratie – zijn sterk.

Bovendien is er alles behalve een consensus over de ongewenstheid van illegale migratie. Dit geldt met name voor vertrekkende landen waar illegale migratie gunstig kan zijn ter ontlasting van de eigen werkeloos en als bron van buitenlandse inkomsten. Maar ook in de bestemmingslanden kan illegale migratie worden gezien als zeer functioneel uit economisch perspectief. Als gevolg van deregulering, liberalisering en flexibilisering is er groeiende vraag naar verschillende vormen van ongeschoolde en semigeschoolde arbeidskrachten. Illegale migranten vormen een goedkope bron van arbeidskrachten en zijn vaak bereid om te werken in sectoren waar reguliere migranten en onderdanen het af laten weten.

Tenslotte blijkt dat het beleid gericht op het terugdringen van illegale migratie op een gegeven moment ineffectief was en zelfs onbedoelde gevolgen, zoals een toenemende mensensmokkel, had.

In de globaliserende wereld is migratiebeleid en daaruit volgende wetgeving voor het Westen derhalve meer en meer een nieuwe afbakening geworden. Daar waar individuele naties zoals in Europa opgaan in een groter geheel, wordt de migratiewetgeving de meetlat, waarmee bepaald wordt wie er wel en wie er niet bijhoren. Maatregelen zoals beperkende wetgeving, grenscontrole, hekken, biometrische testen en visa zullen op zichzelf de (illegale) migratie niet verminderen. Zij moeten worden gecombineerd met meer proactieve maatregelen die zijn gericht op de oorzaken van migratie, zoals de veiligheid verhogen, het verbeteren van het levensonderhoud in de herkomstlanden en het uitbreiden van de mogelijkheden om legaal te migreren.
©juli 2009 Ina Dijstelberge

24 reacties

terug naar boven


Kom in verzet; blokkeer etnische registratie! Een verzoek aan je gemeente volstaat.

In het kort de hoofdlijnen Wet bescherming persoonsgegevens. Punt 6 is in het kader van mijn oproep van belang.

1. Waarom een nieuwe privacywet?
Persoonsgegevens staan op veel plaatsen geregistreerd. De gegevens van een “gemiddelde” burger komen in honderden bestanden voor. Bijvoorbeeld bij de gemeente, belastingdienst, huisarts, bibliotheek, supermarkt, sportvereniging en werkgever. Heel veel mensen doen mee aan spaaracties, enquêtes of hebben een klantenkaart. Waarschijnlijk hebben zij meestal niets te klagen over de manier waarop organisaties hun gegevens gebruiken. Misschien profiteren zij van de extra service die zij met een klantenkaart krijgen en stellen zij prijs op de informatie die zij ontvangen.

2. Snelle technologische ontwikkelingen
De snelle technologische ontwikkelingen bieden meer mogelijkheden om persoonsgegevens te verwerken. Ondernemingen, organisaties en de overheid kunnen daardoor nieuwe diensten ontwikkelen waar de burger profijt van heeft. Die mogelijkheden kunnen van de andere kant ook een bedreiging vormen voor de privacy van de burger. Vooral door het gebruik van informatie- en communicatietechnologie is het tegenwoordig voor organisaties steeds makkelijker om persoonsgegevens op verschillende manieren te gebruiken of aan anderen te verstrekken. Daardoor kan de burger niet altijd overzien wat er met zijn gegevens gebeurt. Toch is het belangrijk dat de gegevens goed beschermd zijn. De Wbp waarborgt dat er zorgvuldig met deze informatie wordt omgegaan. De mogelijkheden die de techniek biedt mogen niet ten koste gaan van iemands privacy.

3. Uitvoering van Europese richtlijn
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geeft uitvoering aan een Europese richtlijn uit 1995 (95/46/EG). Het doel van deze richtlijn is het reguleren van de omgang met persoonsgegevens. De richtlijn draagt bij aan het tot stand komen van de interne Europese markt en het wegnemen van handelsbarrières binnen de Europese Gemeenschap. De richtlijn bepaalt dat privacybescherming geen reden mag zijn om handelsbelemmeringen op te werpen. Maar dan moet de privacybescherming uiteraard wel goed geregeld zijn.
De Wbp verbiedt het verwerken van persoonsgegevens door organisaties meestal niet, maar stelt hieraan regels en voorwaarden ter bescherming van de privacy.

4. Wat zijn persoonsgegevens?
Persoonsgegevens geven, direct of indirect, informatie over een bepaald individu. De persoon over wie het gaat, moet daarbij wel te identificeren zijn. Sommige gegevens geven duidelijk feitelijke informatie over een persoon, bijvoorbeeld iemands geboortedatum, adres, naam of geslacht. Ook gegevens die een waardering over een bepaalde persoon inhouden, bijvoorbeeld iemands intelligentiequotiënt (IQ), bevatten informatie over die persoon.

Van persoonsgegevens is ook sprake als de informatie op zich geen persoonsgegeven is, maar indirect wel iets vertelt over die persoon, bijvoorbeeld over zijn maatschappelijke status. Zo zegt de winst van een eenmanszaak iets over het inkomen van haar eigenaar. Als deze gegevens te herleiden zijn tot een bepaalde persoon is het een persoonsgegeven. Ook gegevens over voorwerpen kunnen op die manier persoonsgegevens worden. Zo wordt de waarde van een auto een persoonsgegeven op het moment dat het iets zegt over de inkomenscategorie waaronder de (identificeerbare) eigenaar van de auto valt. In een prijslijst is dezelfde waarde van de auto daarentegen géén persoonsgegeven.

Als gegevens herleidbaar zijn tot een bepaalde persoon, is er sprake van persoonsgegevens. Zie voor meer informatie de Handleiding. Soms kan het moeilijk zijn om te bepalen of een gegeven een persoonsgegeven is. Bij twijfel kan contact opgenomen worden met het College bescherming persoonsgegevens.

5. Gegevens over ras, politieke gezindheid, seksuele leven, gezondheid etc .

Bijzondere gegevens zijn gegevens over iemands ras, politieke gezindheid, godsdienst of levensovertuiging, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging. Ook strafrechtelijke persoonsgegevens, bijvoorbeeld over veroordelingen, zijn bijzondere gegevens.
De verwerking van bijzondere persoonsgegevens kan een grote inbreuk vormen op de privacy van de betrokkenen. Voor het verwerken van deze gegevens gelden daarom strikte voorwaarden en strenge regels. De gegevens mogen alleen verwerkt worden door bij wet bepaalde instanties of met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkenen. Zo mogen gegevens over iemands gezondheid in principe alleen verwerkt worden door instellingen in de gezondheidszorg.

6. Recht op verzet

De burger heeft recht op verzet. De burger kan bezwaar maken tegen de verwerking van zijn gegevens door een bepaalde organisatie.

De burger kan verzet aantekenen tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens door een organisatie. Als het verzet gerechtvaardigd is en als het belang van de privacy van de burger zwaarder weegt dan het belang van de gegevensverwerker, dan moet deze de verwerking van de gegevens beëindigen. De burger heeft een recht van verzet als het verwerken van zijn persoonsgegevens gebeurt voor direct marketingdoeleinden. Het gaat hier bijvoorbeeld om reclame op naam of om aan de burger geadresseerde brieven voor fondsenwerving. De burger kan van de organisatie verlangen dat zij zijn gegevens niet meer gebruikt om hem te benaderen. Meestal is het voldoende om dit schriftelijk aan de organisatie te vragen. De organisatie dient het gebruik van de gegevens van deze burger voor direct marketingdoeleinden dan onmiddellijk te beëindigen.
De burger kan ook verzet aantekenen tegen gegevensverwerking door de overheid. Het gebruik van gegevens door gemeente of andere overheidsinstanties kan de burger meestal niet verbieden. Overheidsinstanties leggen persoonsgegevens namelijk dikwijls vast op grond van een wettelijke verplichting. Zo is de gemeente verplicht gegevens van burgers vast te leggen in de gemeentelijke basisadministratie.

Van alle overheidsorganisaties mag verwacht worden dat zij zorgvuldig met persoonsgegevens omgaan. Tegelijkertijd kunnen en mogen ook andere organisaties gebruikmaken van de gegevens die de overheid van de burger heeft, zij het onder strikte wettelijke voorwaarden. Wanneer een burger wil dat andere organisaties niet over zijn gegevens beschikken, dan kan hij de gemeente vragen naar de mogelijkheden om deze af te schermen. Hierover kan hij contact opnemen met zijn eigen gemeente.

7. Geschillen

Komt de burger er niet uit met een gegevensverwerkende instantie, dan kan hij zijn geschil voorleggen aan het College bescherming persoonsgegevens. Ook kan hij de rechter inschakelen en bij opgelopen schade om schadevergoeding vragen.

8. Rechten en plichten bij het verwerken van persoonsgegevens

Organisaties mogen persoonsgegevens alleen verzamelen en verder gebruiken voor een duidelijk omschreven doel. Dat doel moeten zij vooraf bepalen, dus voordat zij met het verzamelen van de gegevens beginnen. Ze mogen ook niet meer gegevens verzamelen dan strikt noodzakelijk is voor dat doel. Maar ook niet minder als dat tot onvolledige informatie leidt. Wel mogen organisaties persoonsgegevens verwerken voor meerdere doelen tegelijkertijd. Die doelen moeten ze vooraf dan wel goed beschrijven. Ze mogen de gegevens alleen gebruiken wanneer dat in overstemming is met het oorspronkelijke doel.
Een voorbeeld. De gegevens die een school in zijn leerlingenbestand heeft opgenomen mogen gebruikt worden om het aantal afgestudeerden in kaart te brengen. De school mag deze persoonsgegevens echter niet aan een bedrijf verkopen in zodanige vorm dat het bedrijf er een profiel van de leerling mee kan maken op basis waarvan het de leerling vervolgens persoonlijk benadert. Het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen is in dit geval niet verenigbaar met de wijze waarop ze verder worden verwerkt.

9. Goede reden en/of toestemming
Een organisatie mag alleen persoonsgegevens verzamelen en verder gebruiken als daar een goede reden voor is of als de betrokkene daar zelf toestemming voor heeft gegeven. Een goede reden is bijvoorbeeld een wettelijke verplichting. Het kan ook zijn dat de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor de afwikkeling van abonnementen, lidmaatschappen en koop- en huurovereenkomsten. Persoonsgegevens mogen ook verwerkt worden als een organisatie haar activiteiten niet goed kan uitoefenen zonder het verwerken van die persoonsgegevens. Ook dan is de verwerking noodzakelijk. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om verwerkingen die noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering. Een onderneming mag bijvoorbeeld haar klantenbestand gebruiken om die klanten informatie te sturen over een nieuw product van die onderneming.

Mensen kunnen op verschillende manieren toestemming geven voor het verwerken van hun gegevens. Bijvoorbeeld door het aankruisen van een apart “toestemmingsvakje” op een papieren of elektronisch formulier. Toestemming kan ook blijken uit het gedrag van een persoon. Als iemand bijvoorbeeld in een winkel zijn visitekaartje achterlaat om informatie over nieuwe producten te ontvangen, dan blijkt daaruit dat hij toestemming geeft voor het verwerken van zijn gegevens voor dat doel.

10. Informatieplicht

Alle organisaties die persoonsgegevens gebruiken hebben een informatieplicht. Dit betekent dat zij de personen op wie de gegevens betrekking hebben, moeten laten weten wat zij met hun gegevens gaan doen. Burgers hebben het recht om kennis te nemen van de gegevens die over hen zijn verwerkt. Ze hebben ook het recht om onjuiste gegevens te laten corrigeren en kunnen tegen verwerking bezwaar maken. Dit kunnen zij alleen doen wanneer zij weten wie voor welk doel gegevens over hen verwerkt. Daarom verplicht de Wbp een gegevensverwerker om de betrokkene te informeren over (onder meer) wie hij is en met welk doel hij de gegevens verwerkt.
De informatieplicht geldt wanneer de gegevens worden verzameld via bijvoorbeeld een formulier of via Internet. Ook wanneer de gegevens via derden worden verkregen (bijvoorbeeld via adressenhandel) geldt de informatieplicht, tenzij de leverancier van de gegevens de betrokkenen al heeft geïnformeerd of tenzij de informatieplicht tot onevenredige inspanningen voor de verwerker leidt. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het zeer tijdrovend is om het adres van de betrokkene te achterhalen en adverteren onvoldoende garantie geeft.

Betrokkenen hoeven niet geïnformeerd te worden als hun gegevens worden vastgelegd of verstrekt op grond van een wettelijke plicht.

11. Beveiliging en geheimhoudingsplicht

Gegevensverwerkers moeten ook veel aandacht besteden aan de beveiliging van privacygevoelige informatie. Zij zijn verplicht die gegevens geheim te houden voor onbevoegden en personen die niets met de verwerking van doen hebben. Over de beveiliging van persoonsgegevens is meer informatie te vinden op de site van het College bescherming persoonsgegevens.

12. Meldingsplicht

De organisatie moet de verwerking van persoonsgegevens aanmelden bij het College bescherming persoonsgegevens. Dit moet zij ook doen indien zij dat reeds eerder bij de Registratiekamer heeft gedaan, onder de Wet persoonsregistraties. Zie ook Overgangsrecht.

Een belangrijke groep gegevensverwerkingen is uitgezonderd van de meldingsplicht, zie Vrijstellingen.

Welke acties de organisatie moet nemen voor de aanmelding of voor het doorgeven van wijzigingen, is beschreven in de Handleiding.

Het College bescherming persoonsgegevens (Registratiekamer) ontwikkelt voor de melding een standaardformulier, dat ook in elektronische vorm beschikbaar komt.

13. Vrijstellingen

Gegevensverwerkingen voor persoonlijk of huiselijk gebruik vallen niet onder de Wbp.
Onder de Wbp zijn daarnaast een groot aantal registraties vrijgesteld van aanmelding, omdat van veel van deze verwerkingen bekend is dat ze plaatsvinden en omdat het onwaarschijnlijk is dat ze de privacy van de betrokkene schaden. Voorbeelden hiervan zijn personeelsadministraties, boekhoudingen, administraties van afnemers en leveranciers, ledenadministraties, abonnementadministraties en administraties van (oud-)leerlingen.

Deze administraties mogen in dit geval meestal geen bijzondere gegevens bevatten. Dit zijn gegevens over iemands ras, politieke gezindheid, godsdienst of levensovertuiging, gezondheid, seksuele leven, lidmaatschap van een vakvereniging en strafrechtelijke persoonsgegevens.

Wat is vrijgesteld staat in het Vrijstellingsbesluit. In het Vrijstellingsbesluit wordt ook de maximale bewaartermijn van de gegevens opgenomen.
Vrijgesteld van melding betekent overigens niet dat de organisatie is vrijgesteld van de overige wettelijke verplichtingen van de Wbp.
Overigens mag iedereen ook bij vrijgestelde gegevensverwerkingen om inzage in zijn gegevens vragen!

bron : Ministerie van Justitie
©juni 2010 Ina Dijstelberge
39 reacties
terug naar boven


‘Marokkanenlijsten’ in strijd met de Wet?

Afgelopen vrijdag 12 maart publiceerde Binnenlands Bestuur bevindingen en cijfers uit het begin 2009 in opdracht van het ministerie van BZK opgestelde maar nog niet door het vrijgegeven KLPD rapport, Analyse Marokkaanse daderpopulaties van gemeenten in Nederland. *

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de opdracht door de toenmalige minister Guusje ter Horst is ingegeven door haar wens om etnische registratie bij de politie in te voren. Deze wens uitte zij reeds in september 2008 in een interview met Het Parool .

Daarbij degradeerde ze de bezwaren tegen etnische registratie tot een taboe. Niet langer de wet maar de weerstand tegen een dergelijke registratie is een probleem. Voor Guusje is de noodzaak duidelijk en nut:

Ter Horst ziet dat “als een ‘neutrale doelgroepanalyse,’ die juist ook ten goede kan komen aan de minderheidsgroepen, omdat het de oplossing van hun problemen dichterbij kan brengen of discriminatie aan het licht kan brengen.” **

Hiermee loopt ze vooruit op de uitkomsten van een onderzoek van het Sociaal Cultureel planbureau dat in 2007 van toenmalig minister Vogelaar de opdracht kreeg om de nut en noodzaak van etnische registratie te onderzoeken. Presentatie van de uitkomsten van dit onderzoek zijn er nog steeds niet. Keer op keer is dit vanwege de complexiteit van het onderwerp uitgesteld. De laatste melding dateert van december 2008. ***

Desondanks gaf minister ter Horst opdracht om de Marokkanenlijsten op te stellen. Om de lijsten te kunnen samenstellen heeft de KLPD allerlei bestanden moeten koppelen. Zelf mogen zij niet op etniciteit registreren.

In het artikel staat daarover het volgende:

“‘De ‘Marokkanenlijst’ is samengesteld door opsporingsgegevens van de regionale politiekorpsen op landelijk niveau te koppelen aan gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Die dienst heeft toegang tot de informatie uit de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie). De politie in Utrecht meldt dan bijvoorbeeld aan het KLPD dat een in Nederland geboren jongen met een Nederlands paspoort is aangehouden. De KLPD kan aan de GBA-gegevens van deze jongen zien dat zijn ouders zijn geboren in Marokko, waarna de jongen in de statistieken terechtkomt als ‘2e generatie Marokkaan’. Het uiteindelijke bestand is volledig geanonimiseerd, bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek.” *

Wat zegt de wet?

Dit rapport kan je m.i. opvatten als een vorm van etnisch profileren. Etnisch profileren vormt op twee manieren een probleem. Ten eerste veronderstelt het dat ras, etniciteit of religie altijd duidelijk herkenbaar en definitief is. Dit is echter niet waar. Het is goed mogelijk om mensen hier verkeerd op in te schatten.

Ten tweede veronderstelt etnisch profileren een consistente relatie tussen ras, etniciteit of religie en criminaliteit. Zelfs wanneer een bepaalde groep procentueel meer criminaliteit voortbrengt, mogen we nog steeds niet iedereen die tot die desbetreffende groep behoort, zien als een waarschijnlijke delinquent.

Niet voor niets is er wetgeving en een aparte controle opgesteld om de burger te beschermen.
Paragraaf 2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens
Artikel 16

De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

Artikel 18

Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt:

* a. met het oog op de identificatie van de betrokkene en slechts voor zover dit voor dit doel onvermijdelijk is;
* b. met het doel personen van een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke nadelen verband houdende met de grond ras op te heffen of te verminderen en slechts indien:
o 1°. dit voor dat doel noodzakelijk is;
o 2°. de gegevens slechts betrekking hebben op het geboorteland van de betrokkene, van diens ouders of grootouders, dan wel op andere, bij wet vastgestelde criteria, op grond waarvan op objectieve wijze vastgesteld kan worden of iemand tot een minderheidsgroep als bedoeld in de aanhef van onderdeel b behoort, en
o 3°. de betrokkene daartegen geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt. ****

Uitzondering op de wet kan alleen gemaakt worden als er ontheffing wordt aangevraagd bij het College Bescherming Persoonsgegevens. In 2006 verleende dit college voor twee jaar tijdelijke ontheffing voor het verbod om gegevens omtrent de etniciteit van Antilliaanse jongeren te verwerken. Deze ontheffing is per 11 december 2008 verlopen. Aangezien geen nieuw verzoek voor een ontheffing is ingediend, betekent dit dat er sinds die tijd geen grondslag meer bestaat voor de verwerking van deze gegevens door gemeenten. Omdat bleek dat (een aantal) van de 21 gemeenten toch door gingen verstuurde het college op 7 april 2009 een brief waarin zij stelde:

‘ Meer in het algemeen wil ik opmerken dat een verwerking van bijzondere persoonsgegevens die niet gebaseerd kan worden op de artikelen 17 tot en met 23, eerste lid, onder d, Wbp of op een specifieke wettelijke regeling of niet (meer) haar basis vindt in een door het CBP bij besluit1 verleende ontheffing, onrechtmatig (want in strijd met artikel 16 Wbp) is en daardoor vatbaar is voor handhavend optreden van het CBP’ .*****

Deze brief is verstuurd nadat de minister opdracht had gegeven voor het onderzoek van de KLPD. Gezien de wetgeving en de in het citaat van de brief van het CBP neem ik aan dat voor een dergelijke verzameling van persoonsgegevens ook ontheffing moet worden aangevraagd. Toch denk ik dat dit niet gebeurd is. Het is mogelijk dat art 18b voldoende dekkend is om aan de verplichting tot aanvraag van ontheffing te ontkomen.

Dit citaat uit het artikel in Binnenlandse Bestuur bevestigen dat vermoeden:

Het is gebruikt als verdeelsleutel voor gelden die beschikbaar zijn om overlast aan te pakken. Ook zijn mede op grond van deze cijfers de 22 gemeenten geselecteerd die deelnemen aan het zogeheten Marokkanen-convenant dat in oktober werd gesloten.*

Deze vraag heb ik via een mail voorgelegd aan het CBP. De vraag is in behandeling genomen en zodra ik het antwoord krijg zal ik dit bekend maken.
Wanneer we naar het artikel kijken, naar de kop, de wijze waarop de cijfers worden weergegeven en de opmerking van de burgemeester van Gouda dan krijg je toch het idee dat het rapport een breder is dan wat in het wetsartikel is toegestaan.

‘Wim Cornelis, burgemeester van Gouda, toont zich verrast door de KLPD-bevindingen. ‘We wisten dat we vergelijkbare problemen hadden als de G30, maar dat we op dit gebied zelfs op één staan is toch wel even slikken. Dit bevestigt de noodzaak van een specifiek beleid gericht op deze groep, op meerdere fronten en over meerdere jaren, door bijvoorbeeld ingrijpen achter de voordeur.’*

Ook de kamervragen die tijdens het vragenuur afgelopen dinsdag 16 maart gesteld werden aan minister Hirsch-Balin geven aan dat het rapport op een geheel andere wijze wordt gebruikt als dat waarvoor het binnen de wet gebruikt mag worden. ******

De heer Çörüz (CDA):

“Voor een aanpak op maat is nodig dat je je doelgroep kent en daarvoor heb je cijfers en achtergronden nodig. In Binnenlands Bestuur lezen wij dat de politie zich in allerlei bochten moet wringen om aan informatie over deze verdachten te komen, die zich steeds beter en internationaal weten te organiseren. Wat maken wij het onszelf moeilijk! Dit moet toch anders en sneller kunnen? Welke mogelijkheden ziet de minister om gemakkelijker cijfermateriaal te vergaren dat nodig is om effectief beleid te ontwikkelen?”

Minister Hirsch Ballin:

De heer Çörüz zegt dat de politie moeite heeft om de getallen boven water te krijgen. Ik heb vaker met de betreffende commissies uit de Kamer gesproken over de standaardisering van de informatievoorziening vanuit de politiekorpsen. Daaraan hebben wij dringend behoefte. Dat neemt niet weg dat deze cijfers er zijn en dat zij onderstrepen hoe belangrijk de acties die wij in gang hebben gezet, waren, zijn en blijven. In het kader van de herziening van de informatiehuishouding van de politie moeten wij uiteraard de problemen met een eenduidige en snelle verwerking van de cijfers oplossen.

Mevrouw Verdonk :

Is ten tweede met dit rapport het nut van etnisch registreren niet gewoon bewezen?

Minister Hirsch Ballin:

Dan de vraag over etnische registratie. Ik heb al gezegd dat een etnische registratie of de aanwijzing van mensen geen doel op zichzelf is. Het is soms een nuttig middel om een bepaald soort problemen in het vizier te krijgen.

De heer Brinkman (PVV):

Het is schrikbarend dat Marokkaanse jongeren, zoals we weten, al jaren de Nederlandse steden terroriseren, die inderdaad ook door PvdA-burgemeesters bestuurd worden. Wat dat betreft staat ons in de toekomst nog heel wat te wachten. De minister draait om de feiten heen. De laatste zin die hij uitsprak, geeft het belang aan van het etnisch registreren of gewoon registreren of iemand de Marokkaanse nationaliteit heeft. Waarom regelt hij dat niet gewoon? Hij heeft een nieuw handhavingssysteem bij de politie ontworpen. Er hoeft maar één vraagje bij te komen in het schermpje bij de politie en dan hoeft de politie niet duizenden en duizenden uren te besteden om het hele probleem opnieuw via allerlei systemen te achterhalen. Daardoor heeft de minister twee jaar lang een rapport in de la moeten houden om dat te verdoezelen, waarna het na twee jaar eindelijk eens daaruit verdwijnt. Waarom wordt dat niet gewoon bij dat systeem geregeld?


Minister Hirsch Ballin:

Ik heb al bij meer gelegenheden aangegeven dat volgens onze wetgeving registraties die verwijzen naar herkomst of gegevens van etniciteit mogen worden verwerkt, als daartoe een bepaald doel of noodzaak aanwezig is, maar niet zomaar, zonder dat er een duidelijke aanleiding en rechtvaardiging voor is. Mijn vroegere en huidige collega’s voor WWI zijn hierover ook in gesprek met de Kamer. Ik ben mijn antwoord begonnen met erop te wijzen dat bij de criminaliteit onder Marokkaans-Nederlandse jongeren, verdachten dus, het probleem niet is dat zij Marokkaans zijn, maar dat zij verdachte zijn. Ik wil dus ook vermijden dat wij hier op zo’n manier over spreken, en dat zal ik ook nooit doen, dat we de indruk wekken dat het om het een gaat en niet om het ander. Het gaat om verdachten, om diegenen uit deze veel grotere doelgroep die zich aan crimineel gedrag schuldig maken. Daarbij moeten we kijken naar achtergronden en oorzaken. Dat en niets anders is de reden om te kiezen voor de aanpak die men kent uit ons project Veiligheid begint bij voorkomen, dat tot resultaten leidt en de komende jaren wat mij betreft tot steeds meer resultaten zal leiden.

In de antwoorden van Hirsch Ballin is duidelijk te merken dat hij zich bewust is van de beperkingen van de wet. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger Guusje ter Horst. Het is te hopen dat een komend kabinet zich ook bewust is van de wettelijk, maar ook ethische begrenzingen aan etnische registratie.
maart 2010 ©Ina Dijstelberge
116 reacties

Reacties CBP en Art.1

26 maart 2010

Geachte mevrouw Dijstelberge,

Hartelijk dank voor uw e-mails van 17 en 20 maart jl..

Over het KLPD-rapport ‘Analyse Marokkaanse daderpopulaties van gemeenten in Nederland’ kan het College bescherming persoonsgegevens (CBP) geen uitspraken doen, omdat het CBP hiernaar geen onderzoek heeft gedaan.

Hoogachtend,

Namens het College bescherming persoonsgegevens,

Mw. J.S. xxx
Medewerker Front Office

Een antwoord waar ik niet veel verder meekom. Daarom heb ik mijn vraag voorgelegd aan Art. 1 en enkele tweede kamer leden.
Hun antworod:

Beste Ina,

Etnische registratie is inderdaad niet toegestaan op grond van de wet bescherming persoonsgegevens. Bij uitzondering kan er echter een eenmalige ontheffing worden gegeven door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) om gegevens te verzamelen of koppelen (met de basisadministratie van gemeenten).

Ter toelichting:
De Wet bescherming persoonsgegevens verbiedt in artikel 16 de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Etniciteit wordt beschouwd als een dergelijk gegeven. Er is wel een uitzondering, een zogeheten ontheffing van het verbod mogelijk, maar alleen in zeer specifieke gevallen, namelijk: identificatie van personen en ten behoeve van voorkeursbeleid voor bepaalde etnische minderheidsgroepen. Bovendien geldt dat het in deze gevallen alleen mogelijk is met uitdrukkelijke en voorafgegeven toestemming van de betrokkene. Indien de toesteming is gegeven wordt een uitgebreide toets gedaan of wordt voldaan aan de algemene eisen van gegevensverwerking die te maken hebben met de doeleinden voor gegevensverwerking, grondslagen voor verwerking van gegevens, verenigbaar gebruik en transparantie.

Het is in ieder geval niet aan de orde dat bij de politie of het Openbaar Ministerie wordt geregistreerd op etnische afkomst. Wel zijn in het kader van identificatie gegevens over nationaliteit beschikbaar en komen verdachten met een Marokkaanse achtergrond zo gemakkelijker in beeld doordat zij een dubbele nationaliteit hebben.

Er zijn al vaker vanuit de overheid onderzoeken verschenen waarin het aandeel van etnische minderheden in criminaliteit wordt aangegeven en steeds met toestemming van het CBP om gegevens te koppelen.

Vanuit Art.1 zullen we navraag doen over het rapport van het KLPD.

Indien u snel een antwoord wenst dan raad ik u het rapport er nog eens op na te slaan of daar geen toelichting in staat of anders contact op te nemen met het KLPD (de onderzoekers) en bij hen na te vragen hoe zij aan deze gegevens komen en of dat met toestemming van het CBP is gebeurd.

Met vriendelijke groet,

Juridische helpdesk
Landelijk expertise centrum van Art.1

Art.1 – voorkomt en bestrijdt discriminatie
Schaatsbaan 51 l 3013 AR Rotterdam
Postbus 19192 l 3001 BD Rotterdam

In het rapport, althans in de versie die ik tot mijn beschikking heb, staat geen enkele verwijzing naar een ontheffing. En ook in de kamerstukken heb ik niets kunnen terug vinden.
Ik ga nu een meer uitgewerkte vraag aan het CBP stellen en hou jullie natuurlijk weer op de hoogte van de vorderingen.
1 april 2010
48 reacties

Tweede antwoord Art. 1.

Art 1. gaf in hun mail tevens aan vanuit Art.1navraag te doen over het rapport van het KLPD.
Dat hebben zij inmiddels gedaan en eergisteren ontving ik daarover de volgende mail:

4 mei 2010

Beste Ina,

Er is navraag gedaan bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en de KLPD. Zij antwoorden als volgt:

Het genoemde rapport is gebaseerd op informatie verkregen door het koppelen van politieregistraties van verdachten met GBA-gegevens (via het CBS). Het doel van dergelijke analyses is zicht te krijgen op bepaalde herkomstgroepen die qua crimineel gedrag afwijken van het landelijk gemiddelde Getracht wordt, tbv een goede probleemdefinitie, kenmerken en omvang van die groepen in beeld te brengen en vervolgens, na ingezet beleid, de ontwikkelingen te monitoren. Ook wordt gekeken of er gemeenten zijn waar deze situatie gunstig of juist ongunstig afsteekt bij de landelijke cijfers. Gehoopt wordt dat daarmee richting gegeven kan worden aan effectief beleid

Er is dus een doel. Er wordt door de politie geen etniciteit geregistreerd. Door het GBA overigens ook niet. Het doel van de GBA is persoonsregistratie. Herkomst (niet etniciteit) kan worden herleid op basis van het geboorteland van burgers. Dit gegeven wordt namelijk (sinds mensenheugenis) geregistreerd in het GBA. De herkomst wordt afgeleid van het geboorteland van de persoon zelf en/of die van zijn ouders.

U vroeg of de gegevens waarvan gebruik is gemaakt in het rapport, in strijd is met de wet. Zoals het hier gesteld wordt, zou er geen gebruik zijn gemaakt van gegevens over etniciteit. Die zijn ook niet voorhanden bij deze diensten. Het is aannemelijk dat er door deze diensten niet apart op etniciteit is geregistreerd. Dat mag niet en kan niet zonder instemming van het CBP. Het geboorteland van mensen kan wel, geanonimiseerd, als gegeven worden gebruikt voor onderzoeksdoeleinden.

Het is aannemelijk dat op basis van bovenstaande informatie geen wet is overtreden en de KLPD binnen de grenzen van de wet gebruik heeft gemaakt van voorhanden zijnde en toelaatbare informatie. Er is voor Art.1 geen indicatie aan het licht gekomen dat dit in dit geval anders zou zijn. Niettemin stellen wij uw signalering zeer op prijs want in dit soort gevallen is het goed om de vinger aan de pols te houden.

Ina, is hiermee uw vraag beantwoord?

Mocht u naar aanleiding van bovenstaande vragen hebben, dan kunt u hierover contact met mij opnemen.

Met vriendelijke groet,

Juridische helpdesk
Landelijk expertise centrum van Art.1

Art.1 – voorkomt en bestrijdt discriminatie

Over de vraag of mijn vraag beantwoord is ben ik mij aan het beraden. Ik nodig een ieder uit om mee te denken en mij eventueel punten aan te reiken die ik kan meenemen in mijn antwoord.

6 mei 2010
32 reacties


Bronnen:

* Politie: Steeds meer bendevorming criminele Marokkanen

** ‘Misdaad ook etnisch registreren’

***(pag 4) BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN, WIJKEN EN INTEGRATIE

**** Wetgeving

***** Brief CBP

****** woordelijk verslag plenaire vergadering Tweede Kamer 16 maart
©Ina Dijstelberge
terug naar boven


Van der Laan’s integratiebrief nader bekeken

De integratiebrief van van der Laan is een brief die zoveel mogelijke partijen tegemoet wil komen. Niet voor niets waren de meeste Kamerleden enthousiast over de analyse die in de brief wordt gemaakt.

Er is sprake van een redelijk genuanceerde analyse. Wantrouwen, vervreemding, segregatie en interculturele discrepanties worden erkent. Polarisatie en simplificatie wordt afgewezen, solidariteit en participatie aangemoedigd.

De brief is echter ook doorspekt met een flinke dosis paternalisme jegens de Nieuwe Nederlanders Het meten met twee maten wordt daarbij niet vermeden.

Er wordt korte metten gemaakt met allerlei mythen die in het gepolariseerde debat gemeengoed zijn geworden.

De intergratie is niet totaal mislukt, integendeel :

Het Jaarrapport Integratie 2009 dat als bijlage is bijgevoegd biedt een blik op ontwikkelingen die duiden op een langzame, maar gestaag voortgaande integratie van nieuwe Nederlanders. Bijvoorbeeld in het hoger onderwijs. Hier hebben studenten met niet-westerse achtergrond een stevige inhaalslag gemaakt. Zo is het aandeel van Turks- en Marokkaanse Nederlandse jongeren dat deelneemt aan het hoger onderwijs de afgelopen 10 jaar bijna verdubbeld tot circa 40%. Ook de instroom van Surinaams-Nederlandse en Antiliaans-Nederlandse jongeren in het hoger onderwijs is verbeterd of op een relatief hoog niveau gebleven (respectievelijk 49% en 52%).

Daarnaast is er een duidelijke verbetering op de arbeidsmarkt zichtbaar. In de afgelopen 10 jaar is de arbeidsmarktdeelname van nieuwe Nederlanders toegenomen van 44% in 1998 naar 55% in 2008. De werkloosheidscijfers zijn gedaald van meer dan 20% in 1998 naar ongeveer 11% in 2008. Daarbij is het aantal ondernemers onder nieuwe Nederlanders de afgelopen tien jaar met ruim 40.000 toegenomen. Tegelijk is hun spreiding over verschillende branches groter geworden en zijn hun slagingskansen toegenomen. In combinatie met het stijgend beroepsniveau wijst dit op het ontstaan van een substantiële middenklasse onder nieuwe Nederlanders.

Ook is er geen sprake van een tsunami of een massamigratie:

Het beeld dat het zou gaan om enorme aantallen immigranten die jaarlijks tot Nederland wordt toegelaten, verdient hier nuancering. Behalve dat er mensen naar Nederland komen, gaan er ook weer mensen weg. In 2008 kwamen 142.737 migranten naar Nederland en vertrokken er 116.097, wat resulteerde in een positief immigratiesaldo van 26.640 migranten. Onder deze migranten bevonden zich 48.317 personen van niet-westerse afkomst. Er vertrokken in 2008 28.592 niet-westerse migranten, wat resulteerde in een positief immigratiesaldo van 19.725 niet-westerse immigranten. Kortom, het migratiesaldo in 2008 was 0,16 % van de totale bevolking van 16,4 miljoen inwoners, of 0,12% als het om het migratiesaldo van niet-westerse migranten gaat.
Noch van enige kans tot islamisering van de rechtsstaat.

Het kabinet heeft eerder gesteld dat in Nederland geen plaats is voor verschillende rechtssystemen. De aanwezigheid van een groeiende moslimgemeenschap in Nederland mag geen reden zijn voor het incorporeren van islamitische wetgeving in het Nederlandse recht. De democratische rechtsstaat is en blijft het enige uitgangspunt voor het Nederlands recht. Dit geldt ook voor moslims.

Allochtoon wordt nieuwe Nederlander.

Toen ik van der Laan gisteren hoorde aankondigen dat het begrip allochtoon wordt afschaft, was ik in eerste instantie blij. Het onderscheid en daarmee gepaard gaande discriminatie was mij een doorn in het oog.

Echter bij het lezen van de definitie verdween mijn optimisme alweer.

Opnieuw wordt er een scheiding gemaakt die discrimineert tussen in Nederland geboren kinderen.

Dit zal hoogst waarschijnlijk ook de juridische imperfectie zijn waarover van der Laan rept.

Met de term nieuwe Nederlanders wordt in brede zin verwezen naar mensen die in het buitenland geboren zijn of van wie tenminste één van de ouders in het buitenland geboren is. Hoewel het begrip juridisch imperfect is, verdient het begrip nieuwe Nederlander de voorkeur boven de aanduiding allochtoon. De term nieuwe Nederlander richt de blik op de toekomst en het erbij horen, terwijl de term allochtoon op het verleden is gericht (de herkomst) en door velen wordt ervaren als een negatieve boodschap van ‘buitengesloten worden’. Met de term nieuwe Nederlander wordt in brede zin verwezen naar migranten en hun kinderen in Nederland van wie het merendeel de Nederlandse nationaliteit heeft.

Nederland is en blijft migratieland.

Eindelijk geeft men toe dat Nederland een migratie land is en zal blijven. Dit zal degene die voor het rigoureus sluiten van de grenzen zijn niet gunstig stemmen.

Een land als Nederland kan niet op slot voor mondiale migratiebewegingen. Het is, zoals alle moderne samenlevingen, een land waar mensen binnenkomen, maar van waaruit men soms ook weer vertrekt. Nederland wil graag een gastvrij land blijven. Wie op de vlucht is voor vervolging om politieke redenen, kan hier een vluchtplaats vinden. Wie nodig is op de arbeidsmarkt, kan hier terecht. Wie zich wil herenigen met familie en kinderen, mag hen laten komen.

Er is echter geenzins sprake van een onbeperkte migratie stroom, dat zou de samenleving niet kunnen bolwerken. Nee, de nog komende Nieuwe Nederlanders moeten een aanwinst zijn. De Nederlander moet immers een reden hebben om de immigrant in de armen te kunnen sluiten.

De spankracht van de samenleving, van onze instituties en van buurten die veel nieuwe migranten moeten opvangen kent haar grenzen. Het aanpakken van integratieproblemen vereist dat er grenzen worden gesteld aan de komst van migranten die onvoldoende zijn toegerust voor een succesvolle toekomst in Nederland. Om deze redenen voert het kabinet een selectief migratiebeleid, zoals dat door de bewindslieden van Justitie in diverse brieven en wetsvoorstellen is uitgewerkt.

Aangezien dit soort grenzen noch aan inwoners van de Europese unie, noch aan vluchtelingen kan worden gesteld, betekent dat het alleen voor economische migranten en toekomstige huwelijkspartners van buiten de Europese gemeenschap gaat gelden.

Verplicht geacht gedrag nieuwe Nederlanders.

Inburgeren is een must voor de Nieuwe Nederlander. Het vormt de basis voor een succesvol Nederlanderschap, voor het zich verantwoordelijk voelen voor en hechten aan het Nieuwe Vaderland.

Nieuwe Nederlanders zijn het aan zichzelf, aan hun kinderen en aan de samenleving verplicht om de taal te leren, onderwijs te volgen en werk te vinden. Dat is een basiseis aan immigranten, overal ter wereld. Je richten naar de samenleving betekent ook het samen leefbaar houden van de buurt en het leren omgaan met de rechten en plichten die hier gelden.

Gewenst geacht gedrag nieuwe Nederlanders.

Maar nog vaker zou het een bewuste keuze moeten zijn om te investeren in een huis en toekomst in Nederland in plaats van te sparen voor een huis en toekomst in het land van herkomst. Eigen woningbezit kan de betrokkenheid van nieuwe Nederlanders bij hun leefomgeving verbeteren en de bereidheid vergroten om problemen daarbinnen op te lossen.

Eigen woning bezit als teken van gehechtheid vind ik zelf een zeer geknutselde en buiten de realiteit staande visie. Het eigen woning bezit in Nederland is in Nederland is allerminst algemeen, gemiddeld zo’n 55% en in de grote steden ligt dit percentage nog lager, rond de 30%, waarbij in Amsterdam slechts 21 % een eigen woning bezit.

Inclusief burgerschap.

Het uitgangspunt van het samenleven in Nederland wordt verwoord in de alinea waar van der Laan spreekt over inclusief burgerschap. Hiermee wordt de pluriformiteit van ons land bevestigd en het uitsluiten van (groepen) mensen veroordeeld.

Niemand mag reden hebben om zich achtergesteld of in de steek gelaten te voelen. Als uitgangspunt geldt nog altijd het Nederlandse burgerschap, zoals dat uit de Verlichting voortkwam, en dat vanouds een inclusief burgerschap was. Dat betekende dat niemand als ‘vreemd’ of ‘anders’ werd buitengesloten. Dit inclusieve burgerschap is een van de grondwaarden van de Nederlandse samenleving.

Geen simplificatie van het integratieprobleem.

De neiging om alle problemen die er in wijken spelen te beschouwen als integratie probleem wordt als ongewenst beschouwd. Er wordt duidelijk gekozen voor differentiëring waarbij algemeen maatschappelijke problemen niet worden afgewenteld op de Nieuwe Nederlanders.

De verleiding tot versimpeling is groot. Niet ieder probleem waarbij nieuwe Nederlanders en hun kinderen zijn betrokken, is automatisch een integratieprobleem. En het is al helemaal niet zo dat elke kwestie te maken heeft met een islamitische achtergrond. Veel problemen zijn, hoe lastig ook, grote-stadsproblemen, jeugdproblemen, sociaal-economische problemen en doen zich ook voor bij autochtone Nederlanders. En bijna altijd zijn het complexe problemen. Pas als een relatie met migratie of herkomst van bevolkingsgroepen is vastgesteld en het niet slechts om een incident gaat maar om een patroon, kan gesproken worden over een integratieprobleem.

Aarden.

Ondanks de extra inspanning die van de Nieuwe Nederlander geëist wordt zijn wij met zijn alle verantwoordelijk voor het aarden van de Nieuwe Nederlander. Wij allen (oud en nieuw) moeten accepteren en uitdragen dat migranten en hun kinderen hier komen en blijven.

Een plek vinden in een nieuwe samenleving betekent loslaten, soms meer dan je lief is. Immigratie is iets anders dan een jaar na jaar uitgesteld vertrek. Die fundamentele omslag in levensverwachting heeft binnen veel migrantenfamilies al plaatsgevonden. Maar bij anderen is die realiteit nog altijd niet doorgedrongen. Dit onderstreept tenslotte de brede verantwoordelijkheid van alle Nederlanders om nieuwe Nederlanders het vertrouwen te geven dat zij ook daadwerkelijk een toekomst hebben in Nederland.

Samenleven

Het kabinet onderkent de problematiek van segregatie en ruimtelijke concentratie en neemt het onbehagen daarover serieus. Nederland mag geen land zijn van parallelle gemeenschappen, maar moet een land zijn met gelijke kansen voor iedereen, waarin iedereen volwaardig als burger kan participeren en waar mensen uit diverse bevolkingsgroepen elkaar ontmoeten en kennis hebben van elkaars achtergronden.
Er wordt gesproken van een verschuiving van sociaal-economische segregatie naar etnische segregatie.

De sociale onderklasse heeft een andere kleur gekregen en de oude Nederlander die niet door gestroomd is naar de middengroepen voelt zich miskent en in een hoek gedrukt.
Bovendien is te weinig aandacht geweest voor het vinden van een voor een actief pluriforme samenleving zo essentiële overlappende consensus.

Het ontbreekt aan een daarvoor noodzakelijk open debat.

©november 2009 Ina Dijstelberge
52 reacties
terug naar boven


Geschoolde allochtoon niet toleranter. Huh!?

Een misleidend krantenbericht en het onderzoek.
De kop van een Volkskrant artikel dat direct allerlei vragen oproept. Niet toleranter dan wat, ten opzichte van wat, kortom hoe moet ik dit plaatsen?

De volgende zin licht een tip van de sluier op:

Hoger opgeleide allochtonen oordelen nauwelijks positiever over autochtone Nederlanders dan laaggeschoolde minderheden. Dat geldt vooral voor Marokkaanse en Turkse Nederlanders van de tweede generatie. Wel identificeren allochtonen die gestudeerd hebben zich meer met Nederland dan lager opgeleiden.

Goed het gaat dus om allochtonen t.ov allochtonen…o, nee minderheden, o, nee tweede generatie hoger geschoolde Marokkaanse en Turkse Nederlanders die zich nauwelijks toleranter, meer verdraagzaam opstellen jegens autochtone Nederlanders dan de lager geschoolden onder hen. Ze voelen zich echter wel Nederlander.

De beknopte samenvatting die op de site van de Radbout Universiteit te vinden is verschaft meer duidelijkheid.

Hoger opgeleide allochtonen niet (veel) positiever over Nederlanders.

Het is bekend dat naarmate het opleidingsniveau stijgt, de weerstand onder autochtonen tegen etnische minderheden afneemt. Tolsma wilde weten of zo’n opleidingseffect ook bestaat onder allochtonen. Welnu: het bestaat, maar het is zwakker dan onder autochtonen. Met name Turkse en Marokkaanse Nederlanders van de tweede generatie worden niet veel positiever over autochtone Nederlanders naarmate zij hoger opgeleid zijn.

Dat heeft ermee te maken, aldus Tolsma, dat zij niet meer contact hebben met autochtone Nederlanders en ook niet minder discriminatie ervaren dan lager opgeleide allochtonen. Een ander gegeven is dat hoger opgeleide allochtonen meer gebruik maken van Nederlandse media dan lager opgeleide allochtonen. Dat bevordert de tolerantie ten opzichte van autochtone Nederlanders, zou je denken. ‘En dat gebeurt ook wel, behalve bij tweede generatie Marokkaanse Nederlanders. Niet vreemd, gegeven de vaak negatieve aandacht voor hun etnische groep. De vraag is: ligt de gebrekkige integratie nu aan de allochtoon of de autochtoon? Feit is dat het nu niet van twee kanten komt.’

Hier krijg je toch een ander beeld dan wat het krantenbericht wil doen geloven.

Nog wat dieper gegraven en op blz 164 van het onderzoek het volgende gevonden:

Although higher educated migrants have more contact opportunities with native Dutch than lower educated migrants, second generation Turks and Moroccans do not experience more positive contact experiences and (together with second generation Surinamese) do not experience less negative contact experiences the higher they are educated. Hostility among the native population may be part of the reason for this. Although not excepted, this is in line with previous research which demonstrated that not only low educated minorities face discrimination at the labourmarket but high educated minorities as well (Bertrand & Mullainathan, 2004; Gras,Bovenkerk, Gorter, Kruiswijk, & Ramsoedh, 1996). We tentatively conclude that, in the Netherlands, ethnic hostility among native Dutch hampers the integration of especially second generation migrants and especially of second generation Turks and Moroccans. The extent of which should be subject of future research.

De laatste zin vertaald:

We kunnen voorzichtig concluderen dat in Nederland, etnische vijandigheid onder autochtone Nederlanders, de integratie belemmert van met name de tweede generatie migranten, en vooral van de tweede generatie Turken en Marokkanen. De omvang van hiervan zou onderwerp van toekomstig onderzoek moeten zijn.

Dus het feit dat geschoolde Marokkaanse en Turkse Nederlanders in het vergelijking met geschoolden uit andere etnische groepen ten opzichte van de tot hun etnische groep lager geschoolden minder verschillen in de mate van weerstand jegens de Nederlanders staat in verband met de toenemende intolerantie van die Nederlanders en de beeldvorming in de diverse media.

Het krantenbericht is daar een perfect voorbeeld van. Niet alleen is het tendentieus en misleidend, maar ook stemmingmakend. Een staaltje van oppervlakkige journalistiek uit luiheid of omdat het op deze manier gewoon lekkerder verkoopt?

©september 2009 Ina Dijstelberge
78 reacties
terug naar boven


bron foto

Schaf het discriminerende en stigmatiserende begrippenpaar autochtoon-allochtoon onmiddellijk af!

Met de invoering in 1989 van het begrip allochtoon door de uitgave van de WRR van de nota Allochtonenbeleid en de directie overname van het CBS van de begrippen autochtoon en allochtoon in de statistieken is er scheur tussen burgers in dit land ontstaan. Wij werden autochtoon door de ander allochtoon te noemen. Wij komen uit de zelfde grond terwijl zij van elders komen. Wij zijn hier geworteld, horen hier thuis en zij niet.

Met de begrippen werd de in de kiem aanwezige polarisatie alleen maar versterkt.
Vanaf het begin is het definiëren van het begrip allochtoon een netelige kwestie geweest.

De WRR hanteerde een ongefundeerd ‘tot in de derde generatie’ waarbij kinderen uit gemengde huwelijken ook als allochtoon bestempeld werden. Het CBS nam als scheidslijn de tweede generatie en nam de scheidslijn gemengde huwelijken over.

Zo werd mijn zoon met een Frankrijk geboren vader, Nederlandse moeder, drie Nederlandse grootouders en één uit Tunesië, allochtoon.

Inmiddels wil het WRR af van het begrippenpaar. Echter stuit dit op heftige weerstand van hen die garen spinnen bij dit kunstmatige onderscheid tussen burgers.

Hoe het begrippenpaar autochtoon/allochtonen de perceptie van de werkelijkheid (ver)vormt en betekenis geeft, wordt op een heldere wijze verwoord door Peter Geschiere in zijn essay : Uitsluiting en insluiting: Het autochtone gevaar, dat deze week in de Groene Amsterdammer werd gepubliceerd. *

Het zichzelf als autochtoon bestempelen houdt in dat de grond waarop je met andere leeft exclusief voor jouw en je mede autochtonen voorbehouden is. Het voedt de behoefte ergens toe te behoren en onderstreept het buitenstaander zijn van de ander, de allochtoon.

Een behoefte die versterkt is door het wegvallen van de tegenstelling Oost/West, de globalisering en wegvallende binnengrenzen. Autochtonie belooft veiligheid.

Peter Geschiere stelt:

“ De term ‘autochtoon’ ontleent grote mobiliserende kracht aan haar vanzelfsprekendheid. Het beroep op de grond maakt het een natuurlijk gegeven. Hoe kun je ergens méér thuishoren dan wanneer je kunt claimen uit de grond zelf geboren te zijn?”

en

“ Juist dat impliciete beroep op ‘de grond’ zelf, als een bewijs van een soort primair thuishoren, geeft deze begrippen zo’n zware emotionele lading.”

Het begrippenpaar creëert een onderscheid dat een vruchtbare voedingsbodem is voor het nieuw rechtse geluid a la Le Pen, Filip de Winter en Geert Wilders die het eigen volk verheerlijken en afzetten tegen de dreigende verloedering door zij die niet van hier zijn.

Zij exploiteren de emotionele lading en versterken het andere in het autochtonie vervatte idee van zuiverheid.

Peter Geschiere:

“Maar in de praktijk worden groepen die autochtonie claimen geteisterd door diepe onzekerheid. Autochtonie is het zoeken naar een onmogelijke zuiverheid. Er zal immers altijd migratie zijn. Dat leidt weer tot het ontmaskeren van fake autochtonen, van de verraders die zich verschuilen in de groep…”

“…Autochtonie impliceert een zoeken naar een onmogelijke zuiverheid, juist omdat geschoiedenis altijd beweging en verhuizing is. Het gevolg is een constante neiging tot het inperken van de definitie, wat leidt tot nog meer onzekerheid. Een ander kan immers altijd claimen ‘meer’ autochtoon te zijn dan jij…”

“…Juist de martelende onzekerheid wie ‘echt’ autochtoon is, geeft het begrip een gewelddadige ondertoon…”

De valsheid van de in het begrip autochtoon vervatte zekerheid wordt zichtbaar bij de invulling daarvan. Autochtonie is geen werkelijkheid, slechts een ongefundeerde constructie.

De identiteit van de autochtoon is niet te vatten in één beeld. De werkelijkheid blijkt keer op keer wispelturig en divers. Wat voor de ene ‘autochtoon’ een toonbeeld van de Nederlandse cultuur is, is voor de ander een schandvlek. Ook de geschiedenis biedt geen aanknopingspunten om het begrip geldigheid te verschaffen. Er is geen constante aan te wijzen die de identiteit duidt. Geschiedenis en cultuur zijn dynamisch en bieden geen vaste basis voor een aan het autochtoon zijn verbonden identiteit.

In Nederland is het begrip autochtoon reeds ingeperkt door niet iedereen die op Nederlandse bodem geboren is als autochtoon aan te merken. Sterker nog, autochtonen kunnen allochtonen kinderen voortbrengen.

In de afgelopen twintig jaar hebben we zodoende een groot deel van de burgers buitengesloten, vervreemd en daarmee integratie, deel zijn van de gemeenschap en thuis voelen, belemmerd en onmogelijk gemaakt. De politiek zou er verstandig aan doen als zij besluit om deze begrippen los te laten. Daar is echter wel durf voor nodig en daaraan ontbreekt het helaas op dit moment.

©september 2009 Ina Dijstelberge
183 reacties
terug naar boven


Frank Bovenkerk : “Lakeman en de PVV stellen dwaze vragen…

Vrijdagmiddag op Radio 1 in Villa VPRO was Frank Bovenkerk, in het kader van de serie Zomergesprekken, een uur lang aan het woord over zijn werk , de etnicisering en de radicalisering van de maatschappij.

Deel 1en Deel 2

Het gesprek sloot prachtig aan op een eerdere bijdrage van mij waarbij ik stel dat de focus op etniciteit en cultuur polarisatie en discriminatie in de hand werken.

Cultuur racisme.

Zijn werk en uitspraken geven vaak roering, niet in de laatste plaats door het veralgemeniseren en populariseren ervan in de diverse media en door politici. Vaak wordt hij aangehaald als bewijs voor het verband tussen cultuur en criminaliteit en/of terrorisme.

Sommige van zijn criticasters plaatsen daarom ook Frank Bovenkerk in deze hoek plaatsen.

Zelf distantieert hij zich hiervan.

Al zijn werk heeft altijd in dienst gestaan van het voorkomen van een racistische maatschappij.
Cultuur kan geen sluitende verklaring of voorspelling opleveren. Veronderstellingen op dit gebied worden altijd door concreet onderzoek gefalsificeerd.

Cultuur speelt een factor zeker wanneer het om het begrijpen van bepaalde cultuurgerelateerde feiten gaat, maar dan alleen in verband met de eerste generatie migranten. Bij latere generatie is de verklarende factor cultuur ontoereikend en zijn het algemeen geldende en theoretisch onderbouwde structurele factoren die voor een geldige verklaring zorgen.

Als voorbeeld geeft hij de vooronderstelling dat Marokkaanse crimineeltjes vanwege hun zgn. schaamtecultuur altijd liegen.
Een van zijn studentes heeft daar onderzoek naar gedaan. Zij is in de rechtszaal gaan turfen hoe vaak er door deze groep werd ontkent.

De uitkomst was dat deze groep significant meer ontkende dan anderen, maar tevens werden ook de meeste vrijgesproken.
Volgens Bovenkerk is het ontkennen niet te verklaren uit de cultuur. De ouders van deze kinderen vertonen namelijk niet het gedrag en het zou vreemd zijn wanneer culturele bepaaldheden een generatie overslaan.

Hier zijn het structurele factoren zoals lagere sociaal/economische klasse, weinig sociale controle vanuit het gezin en de gemeenschap en de straatcultuur die voor een sluitende verklaring voor het liegen.

Etnisch Nederland.

Frank Bovenkerk stelt dat de etnicisering van maatschappelijke problemen iets typisch Nederlands is en waar de omliggende landen met enig scepticisme tegenaan kijken.

In een bijdrage aan het symposium ‘Ethiek van empirisch sociaal-wetenschappelijk onderzoek’ georganiseerd door de Advies Commissie Wetenschap en Ethiek (ACWE) van de Koninklijk Nederlandse Akademie van Wetenschappen op 22 juni 2006 j.l. zegt hij:

Wij doen het in Nederland veel vaker etnisch. Het woord ‘allochtoon’ wordt ook in geen enkel ander land gebruikt (laat staan de dubbel-negatieve categorie van ‘niet-Westerse allochtonen’). Qua gevoelswaarde staat het woord allochtoon voor een gemiddelde Fransman bijvoorbeeld gelijk aan het Engelse woord nigger. Het is een term die een categorie inwoners van Nederland maatschappelijk uitsluit en dat heeft onverwachte consequenties. Alle landen van West-Europa hebben met omvangrijke immigratie te maken (gehad), maar onze ‘allochtone’ bevolking is groter dan elders. Dat komt niet omdat het aantal immigranten groter is, maar omdat in Nederland de definitie zo ruim is genomen. Allochtoon is hij die zelf is geïmmigreerd of van wie ten minste één ouder buiten Nederland is geboren. Wij classificeren in Nederland mensen meer dan in andere Europese landen naar etnische afkomst, cultuur en… criminaliteitsprofiel.

Als wetenschapper geniet hij de ruimte die hij in Nederland heeft om vrij te onderzoeken . Dat is in omringende landen anders vanwege de vele taboes die er op etnisch onderzoek ligt. Voor hem opende het deuren om als het ware het onderzoeksgebied van de cultureel antropologische criminologie te onderzoeken.

Onderscheid, marginalisering en dwaasheid.

Hij verklaart de terughoudendheid van overheden ten aanzien van het bijhouden van statistieken waarin er een verband tussen etniciteit en criminaliteit wordt gelegd uit het feit dat men bang is voor stigmatisering en marginalisering van bevolkingsgroepen. Een niet geheel ongegronde angst gezien de huidige ontwikkelingen.

Opnieuw twee citaten uit het verslag van het symposium:

“De afweging die hier in Nederland is gemaakt vormt ten eerste een uiting van principiële weerzin tegen ieder taboe in de wetenschap.

Ten tweede levert het verzwijgen om redenen van politieke correctheid een politiek risico op van onbeheersbaarheid van een sociaal probleem. Dit gebeurt als het overheidsbeleid te ver af gaat staan van de beleving van sociale problemen bij de bevolking: frustratie bij de kiezers die geen racisten wensen te worden genoemd, conflictpotentieel in oude buurten, mogelijk ineffectieve criminaliteitsbestrijding wanneer deze niet etnisch specifiek is. Dat risico komen we alleen te boven door de werkelijkheid onder ogen te zien.

Ten derde: de organen van politie en justitie gaan op eigen houtje toch gegevens verzamelen om beleid te ontwikkelen en dat levert het risico op van onoordeelkundig gebruik van gevoelige gegevens.

Het onvoorziene effect van deze nuchtere keuze in Nederland is thans dat wetenschap en politiek ‘doorschieten’ en toch onderdeel worden van een xenofoob discours.”

“De schrik slaat me om het hart te moeten constateren dat het eerste gedeelte van de redenering precies zo loopt als wij het thans in Nederland doen voor Nederlanders die uit Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse ouders voortkomen. Eerst wordt het criminologische profiel van een groep vastgesteld. Daarna worden de bijzonderheden met behulp van sociologische of criminologische theorieën geïnterpreteerd. Die misdaadcijfers per delictsoort weerspiegelen bijvoorbeeld het beroepsprofiel van de betreffende bevolkingscategorie; ze vormen culturele delicten in de zin dat gedragsvoorschriften die in de landen van herkomst sociaal zijn voorgeschreven of min of meer toegelaten, de betrokkenen in het nieuwe land in aanvaring brengen met de strafrechter; toppen en dalen in het delictenprofiel reflecteren normatieve opvattingen, enzovoort.”

In het radiogesprek zegt Frank Bovenkerk dat hij het niet eens is met de etnische uitsplitsing in het onderzoek naar criminaliteit en maatschappelijk ongewenst gedrag omdat deze het idee dat er een verklarend verband bestaat tussen specifieke etniciteit/ cultuur en dit gedrag versterkt.

Dit begon reeds toen de bevolking werd opgedeeld in allochtonen en autochtonen. Makkelijk voor de statistieken, het vormen van beleid en natuurlijk politiek bedrijven.

Hij zelf heeft het altijd een ongelukkig en niet legitiem onderscheid gevonden. De WRR is indertijd van diverse kanten gewaarschuwd, ook door hem, voor de ellende die een dergelijk onderscheid zou kunnen opleveren. Als voorbeeld noemt hij de dwaze vraag wat de allochtonen ons kosten, die Lakeman 10 jaar geleden stelde en nu door de PVV wordt herhaald. Dwaas, omdat er geen enkele morele consequentie aan het antwoord verbonden kan worden.

Cijfertjes.

Daarentegen heeft hij grif gebruikt gemaakt van cijfermateriaal wat al dan niet toegestaan beschikbaar was. De cijfertjes bewijzen, volgens Bovenkerk niets, althans niet dat allochtonie als oorzaak kan worden aangewezen voor de problemen bij specifieke groepen van de bevolking.

Het gaat bij deze cijfers namelijk bijna altijd over een hele kleine minderheid van de totale bevolking.

Bovenkerk stelt dat verreweg de meeste individuele immigranten en hun afstammelingen, ook de jongemannen in deze groepen, hebben hoegenaamd niets met politie en justitie te maken. De meeste immigrantengroepen leveren geen bijzonder hoge criminaliteitspercentages op.

Er is sprake van twee probleemgroepen: jongemannen uit de Nederlandse Antillen en zij met Marokkaanse ouders. Uit onderzoek blijkt dat de redenen hiervoor liggen in de lage positie die deze groepen innemen in de maatschappelijke structuur waarbij de interne sociale controle van de groep niet (meer) werkt.

Echter het gaat hem daarbij om de verschillen en hoe je daar op een niet racistische manier mee om kan gaan. Hij wil daarbij niet gehinderd worden door wat andere daarmee in het xenofoob discours doen.

Het is aan de wetenschapper om in het ethische en politieke overwegingen om zijn objectiviteit te behouden.

Eerste voorwaarde hierbij is om nooit onderzoek te doen waarbij etniciteit een variabele is, in plaats van een op relevantie theoretisch doordachte factor.

Toevoegen als routine gaat voorbij aan het problematische karakter welke een sociale constructie als etniciteit met zich meebrengt. Tweede voorwaarden is dat men slechts publiceert als men absoluut zeker van de resultaten is.

Tot slot.

Zijn bijdrage aan het symposium sluit Frank Bovenkerk af met :

Het is mijn standpunt dat we er in Nederland goed aan hebben gedaan het taboe op de onderzoeksvraag naar het verband tussen etniciteit en misdaad naast ons neer te leggen. De kwestie is hier anders dan elders in Europa goed bespreekbaar geworden en lijdt geen ondergronds bestaan. Maar we kunnen die verworvenheid alleen maar in stand houden als daarbij eenvoudige regels van fatsoen worden bewaard. Dat is in laatste instantie een kwestie van beschaving.

In het publieke en politieke debat worden deze fatsoensnormen echter aan alle kanten overschreden. Al dan niet bewuste misinterpretatie en generalisaties van ook het werk van Frank Bovenkerk moeten bewijzen dat er wel degelijk een vaststaand verband is tussen cultuur en criminaliteit en dit moet op zijn beurt discriminerende maatregelen legitimeren.

Daarmee wordt de beschaving die deze lieden zo hoog in het vaandel hebben aan de wortel vergiftigd.

©augustus 2009 Ina Dijstelberge
85 reacties
terug naar boven


Etnicisering van maatschappelijke problemen voedingsbodem voor polarisatie en vreemdelingenhaat.

Verschuiving in het vertoog, de wijze waarop wij over een problematiek spreken, haar analyseren en trachten op te lossen verandert onze perceptie van de wereld, de ander, onszelf en onze plaats in die wereld.

Het afgelopen decennium is bij het analyseren en maken van beleid  m.b.t. maatschappelijke problemen er een steeds grotere neiging om de etniciteit (cultuur, religie) als verklarende factor op de voorgrond te plaatsen. Daarbij worden andere factoren die een rol spelen gemarginaliseerd of zelfs uitgesloten.

Behalve dat de focus in zijn algemeenheid op het cultureel referentiekader is komen te liggen, is het blikveld ook nog verengd tot specifieke culturele groepen en zijn we hard op weg om het nog verder te versmallen tot één religieuze groep.

Deze groep wordt geponeerd als onveranderlijk en homogeen, waarbij de diversiteit binnen de culturele groep geheel wordt genegeerd. Etniciteit wordt in plaats van een aspect in een complexe probleemsituatie de hoofdoorzaak wanneer het probleem zich voordoet deze groep.

Gelijktijdig met de vernauwing van de blik wordt stilzwijgend de eigen cultuur probleemloos in relatie tot de maatschappelijke problematiek. Wanneer vergelijkende problemen zich binnen de eigen groep voordoen dan worden deze niet cultureel maar persoonlijk en/of psychologisch verklaart.

Deze dubbele beweging versterkt het wij- zij gevoel en de polarisatie. Het vormt een voedingsbodem voor het verder marginaliseren van immigranten en hun nakomelingen. Daarnaast leidt het ook tot verwaarlozing van algemene maatschappelijke problemen.

Door het blikveld opnieuw te verbreden , alle aspecten die aan voorkomende problemen ten grondslag liggen kritisch in ogenschouw te nemen, kan het vertoog opnieuw verschuiven.

©juli 2009 Ina Dijstelberge
96 reacties



Nederlandse Moslim jongeren.

 

“Met wat meer ruimte om zich een eigen plaats te verwerven in de samenleving zou hun ontwikkeling zeer gebaat zijn.”

“In dit onderzoek, een gezamenlijke onderneming van het Verwey-Jonker Instituut en FORUM, zijn jongeren aan het woord die deze boodschap in allerlei toonaarden uitdragen. Zij vertellen over hun ontwikkeling als moslim in Nederland, hun behoeften aan steun hierbij en hun voorstellen om deze te realiseren. Een kerngroep van jongeren sprak hierover met leeftijdgenoten uit hun eigen kring in door henzelf geleide groepsgesprekken. De jongeren maken duidelijk dat zij graag willen participeren in de samenleving, maar zichook graag geaccepteerd willen voelen als moslim.” Blz 5

Het rapport: Jongeren en hun islam heeft voor de verstokte Islam bevreesden alweer alle aanleiding gegeven om van de toren te schreeuwen dat het religieus bewustzijn van deze groep jongeren een gevaar voor de stabiliteit van de samenleving zou zijn. Niet dat dit in het rapport te lezen valt, integendeel:

“Tussen de jongeren bestaat een aanzienlijke variatie in de plaats die het geloof in het dagelijks leven inneemt. Een klein deel identificeert zich wel als moslim, maar is er nog niet zo bewust mee bezig. Bij de grote meerderheid is dit wel het geval, wat ook te verwachten was gezien het hoofddoel van het onderzoek en de inzet van de gesprekken: in kaart brengen welke behoeften aan ondersteuning leven bij moslimjongeren en welke aanpak zij daarbij wenselijk achten.
De meeste van de meer bewuste jongeren zien het geloof als een privézaak. Voor een kleiner deel is het geloof de belangrijkste leidraad in het leven, die naast hun privébestaan ook hun leven in het publieke domein sterk kan bepalen. Een klein deel  van de jongeren beweegt zich tussen beide polen in.” (blz 17)

De meeste zien geloven als privézaak, precies zoals dat in een seculiere samenleving geacht wordt ; het zijn Nederlandse jonge moslims die evenals hun christen broeders en zusters zich zonder hun geloof te verloochenen willen manifesteren in de openbare ruimte.En juist hier ondervinden zij moeilijkheden.

“Maar zelfs onder de jongeren met de meest negatieve ervaringen heerst de mening dat er ook een verantwoordelijkheid ligt bij de moslims zelf. Veel jongeren wijzen op de valkuil van het slachtofferdenken.Niet alleen de samenleving en haar instituties zijn verantwoordelijk voor verbetering van de situatie van moslims. De eigen houding en handelwijze maken veel uit. Naast uitsluiting kan er zelfuitsluiting zijn door een passieve houding of zelfverkozen isolement. Jongeren kunnen angst en onbekendheid in de samenleving wegnemen door eigen voorbeeldgedrag, wijs omgaan met ‘de woede over Wilders’, communicatie en dialoog, en door zich assertief en actief op te stellen. Een belangrijke manier om uitsluiting en zelf-uitsluiting tegen te gaan is actieve participatie in maatschappelijke organisaties, zo stellen vooral jongeren van Turkse afkomst. Door zich te mengen in bestaande organisaties en partijen kunnen jongeren hun eigen agendapunten inbrengen.” (blz 18/19)

En juist hiervoor is ondersteuning nodig, ondersteuning die tot nu toe ontbreekt, faalt of ontoereikend is.

“Niettemin komt duidelijk en consistent uit het onderzoek naar voren dat jongeren het bij het vinden van hun plaats als moslim in Nederland niet alleen af kunnen. Zij zijn zich bewust van het gevaar van de slachtoffer mentaliteit en van het belang van eigen initiatief, maar missen vaak de nodige steun vanuit hun omgeving. Dit geldt zowel voor het gezin als voor de instituties daarbuiten met zorg voor jeugd, of het nu om zelforganisaties als de moskee gaat of om reguliere organisaties: zij sluiten onvoldoende aan bij de steunbehoeften van de jongeren.” (blz 27)

Het rapport komt vervolgens met aanbevelingen die hier verbetering in aan kunnen brengen.

Aanbeveling 1. Ondersteun eigen inbreng en initiatieven

Ondersteuning van jongeren

  • Opvoedingsondersteuning aan ouders is gewenst opdat zij beter met hun kinderen kunnen communiceren, ook over het geloof.
  • Daarnaast moeten er laagdrempelige plekken zijn waar jongere terecht kunnen, bijvoorbeeld voor coaching en mentoring, onderlinge uitwisseling in studiegroepjes, dialoog over groepsgrenzen heen of lezingen en consultatie van deskundigen.
  • Zoals blijkt uit de inventarisatie van voorbeeld praktijken kunnen jongeren met eigen initiatieven snel en effectief inspelen op actuele behoeften. In de praktijk van jongerenorganisaties blijken werving en begeleiding van vrijwilligers en (gebrek aan) kadervorming echter belangrijke struikelblokken. Coaching, training en andere vormen van facilitering zijn van belang.
  • Jongeren willen graag van bestaande initiatieven leren.
  • Reguliere instellingen en beleidsmakers hebben ook behoefte aan inzicht in de activiteiten die jongeren zelf al ontplooien. Digitale uitwisseling van ideeën en praktijken zou uitkomst kunnen bieden.

Structurele verankering

    • Activiteiten voor moslimjongeren krijgen vaak vorm in tijdelijke projecten, zonder continuïteit. Zij zouden steviger verankerd moeten worden, bijvoorbeeld door structurele ondersteuning vanuit reguliere organisaties.
    • Jongeren willen graag hun stem laten horen en gehoord worden.
    • Maatschappelijke instellingen en beleidsmakers zouden hen op meer structurele basis moeten raadplegen.
      • De pedagogiek in de moskee-lessen voor jongere kinderen is voor verbetering vatbaar: geen fysieke straf en een minder autoritaire houding, minder stampen en meer uitleg en communicatie over en weer over het geloof. De imam zou jongeren meer open moeten aanspreken, niet alleen maar gebieden en verbieden.
      • De preken zouden in het Nederlands moeten worden vertaald of het Nederlands zou zelfs de voertaal kunnen zijn (‘poldermoskee’).
      • De inhoud van de preken moet beter herkenbaar zijn, verband houden met de dagelijkse realiteit van jongeren en hun vragen daarover.
      • De moskee dient ook voor meisjes toegankelijk te worden, bijvoorbeeld door een apart spreekuur, inzet van een imama of vrouwelijke deskundige.
      • Om jongeren te binden zou de moskee een breder scala aan educatieveen sportactiviteiten kunnen aanbieden.
      • Het is van belang dat de moskeebesturen verjongen en ook vrouwen tot hun gelederen toelaten.
      • Samenwerking met reguliere instituties voor jeugd, zoals scholen, is gewenst. Dit om het pedagogisch klimaat te verbeteren, verbinding aan te brengen tussen de werelden waarin jongeren leven, contact en dialoog met de samenleving te stimuleren en het aanbod te verbreden.
      • Het jongerenwerk en het buurthuiswerk moeten zich openstellen voor de behoeften en initiatieven van alle jongeren, dus ook voor die van moslimjongeren. Zo zouden zelfhulp- en praatgroepen er onderdak en ondersteuning moeten krijgen. Coaching, trainingen en een mentoraat voor moslimjongeren zouden mede vanuit deze voorzieningen kunnen plaatsvinden of ondersteuning kunnen krijgen.
      • Ook in de Centra voor Jeugd en Gezin, op scholen en in bedrijven moet meer aandacht en begrip zijn voor ‘diversiteit’, dus ook voor de behoeften van moslims. Professionals die oog hebben voor hun zaak verdienen meer ‘rugdekking’ vanuit de organisatie.
      • Naast overheden en de moslimgemeenschappen zelf kunnen ook de reguliere organisaties bijdragen aan contact, dialoog en uitwisseling van informatie tussen moslims en niet-moslims.
      • Van belang bij dit alles is het vergroten van de kennis van en het begrip bij professionals voor religie en cultuur en scholing in interculturele competenties.
      • Reguliere instellingen moeten werken aan een structureel draagvlak voor en verankering van diversiteitsbeleid. Daartoe kan behoren het scheppen van enige ruimte voor religieuze expressie, conform het in Nederland geldende recht om vanuit de eigen religie of levensbeschouwing te spreken en te handelen, ook in de publieke sfeer. (blz 29-32)

Aanbeveling 2. Bevorder toegankelijkheid van de moskee

Meer openheid voor jeugd/vrouwen

Structurele verankering

Aanbeveling 3. Bevorder toegankelijkheid van reguliere instellingen

Meer openheid voor diversiteit

Structurele verankering

Kortom, een rapport dat een beeld geeft van hoe bewuste Nederlandse Moslims in het leven staan, waar ze tegen aan lopen en hoe ze daar op een actieve manier mee kunnen omgaan. Een heel ander beeld dus dan wat Peter Louter en Zoë en sommige van hun reactanten de lezer wil doen geloven. Zij schetsen een grimmig beeld van een voortwoekerende islamitisering aangemoedigd door duistere salfisten als Tariq Ramadan, afgedekt door multiculturelen en mensen die lijden aan het van Thijn syndroom.

Het rapport maakt duidelijk dat met name voor belijdende Moslima de vijandige sfeer en het gebrek aan ondersteuning, extra moeilijkheden opleveren om een positie in de maatschappij te verwerven.

©november 2008 Ina Dijstelberge

145 reacties

terug naar boven

1 lezer vindt deze bijdrage tof
Reageer

Disclaimer

Wanneer ik modereer is dat op gronden waar ik mij als beheerder van de site wettelijk moet houden. Zie ook klachtenregeling.