Ander ben ik
De serie is gebaseerd op een door mij in 1996 geschreven onderzoekspaper.
- Deel 1 : Hoe wij zien dat wij zijn.
- Deel 2 : Hoe wij weten wat wij zijn.
- Deel 3 : Gekooide vrijheid.
- Deel 4 : Een wereld van verschil.
- Deel 5 : Gender; de scheiding tussen Ik en de Ander.
- Deel 6 : Seksualiteit; de scheiding tussen het huis en de wereld.
- Deel 7 : Cultuur en etniciteit; de scheiding tussen vriend en vijand.
- Deel 8 : In het spreken treffen wij elkaar.
Inleiding.
Wij zijn;
jij bent omdat ik
niet-ben.
Wij zijn niet;
jij bent niet en ik ben niet wat jij mij liet.
Wij zijn,
ieder bij zichzelf, thuis.
Wij zijn,
voor onszelf en voor de ander, vreemd.
Wij zijn,
ieder op een eigen wijze, samen.
afbeelding Pat Andrea.”Alice through the mirror”

De verschillen tussen mensen, in positie tussen de man en de vrouw, de ongelijke waardering van het mannelijke en het vrouwelijke, de scheve verhoudingen tussen mannen en vrouwen, dit alles getuigt dat de balans is doorgeslagen in het voordeel van de man en de aan hem toe gekende (mannelijke) kwaliteiten; ten koste van de vrouw en de haar ontnomen (vrouwelijke) kwaliteiten. Wij mensen, mannen en vrouwen, dreigen hierdoor het vrouwelijke te verliezen, sterker nog voor een groot deel hebben we haar al verloren in het één worden met de man. Wat ons rest is slechts een karikatuur van wat we ooit waren.
En ik? Ik kan daardoor geen antwoord geven op de vraag:
” Wie, wat of hoe ben ik?”
“Ik ben een vrouw, maar wat is dat?” of
” Ik ben ik, maar omschrijven met woorden lijkt onmogelijk.”.
Jij kan slechts mijn Spiegel zijn, degene waar doorheen ik mij zelf zou kunnen zien; waardoor ik dat kan aanraken wat ik verloren ben. Een poging tot een in contact komen met dat wat achter mijn ‘spreekveld’ ligt.
Is het vrouwelijke werkelijk tot uitsterven gedoemd? Is haar hoop om ooit haarzelf te (her)vinden vergeefs? Of is er een mogelijkheid om het vrouwelijk (terug) te halen binnen ons huidige ((onder)bewust)zijn om zo het evenwicht te herstellen en de hoop te behouden uiteindelijk (weer) een vrouw te kunnen zijn? Kunnen we het zuiver vrouwelijke en daarmee gelijktijdig het zuiver mannelijke (weer) als zodanig herkennen? Of zijn we enkel in staat om, door de lijnen te laten vervloeien, de karikatuur te verzachten.
De dualiteit Ik en de Ander.
‘Ik en de Ander’ kan als een van de belangrijkste en meest gecompliceerde dualiteit van onze westerse traditie worden beschouwd, zij bepaalt immers de identiteit van het subject. De Ander heeft in de loop der tijd verschillende gedaante aangenomen. Wij hebben de Ander kunnen aanschouwen als de Kosmos, de Natuur, God, de Wereld, de Vrouw en de Vreemde.
Het Zelf en na Descartes Ik is per definitie de man en later onder invloed van de emancipatiedrift mens waarbij klakkeloos wordt aangenomen dat de Man en de Vrouw ‘t Zelfde zijn, op een zelfde manier in de wereld staan of een zelfde zijnswijze hebben. Het besef van onze eigen eindigheid maakt dat wij het andere willen vernietigen omdat zij ons vreemd is en ons confronteert met de eigen dood. Hiermee wordt de Ander als begrenzer van de Totaliteit gepositioneerd. Een oneindigheid tegenover een eindigheid. Een zoektocht naar de grens van het subject; de grens van het subject als man gedacht. Zijn ervaring van de werkelijkheid is gelegen in de dualiteit of oppositie tussen dat wat ik ken en dat wat mij vreemd is , daarmee begrenst hij zijn totaliteit en kan hij zijn identiteit vaststellen. Het vreemde moet worden buiten gesloten, zij vormt een bedreiging voor de totaliteit waar het ik heerser is.
De Ander treedt hierbij in het voetspoor van haar voorgangers en is daarmee in geheel van ons vervreemd. Zij is zoals wij dat noemen ‘getranscendeerd’, ons ontstolen. Wij kunnen zo geen relatie met de Ander hebben. De Ander toont zich enkel in het gelaat van de ander. Het is het meest naakte, zij is oncontroleerbaar. In het gelaat van de ander toont zich de oneindigheid.
Ik als Vrouw.
In mijn ervaringswereld als vrouw heb ik daarentegen te maken met een werkelijkheid waarin het gelaat van de ander mij in het geheel niet vreemd voorkomt. Immers als Vrouw ben ik die Ander,; ik ben niet-man! Dit zou in de traditie van Levinas impliceren dat ik oneindig ben, geen totaliteit, het vreemde. Voor de man ben ik de absoluut ander, dat wat hij niet is, dat wat hij niet voelt, dat wat hij niet ziet, dat zich buiten zijn totaliteit ophoudt. Maar de man is niet de absoluut ander voor mij, immers ik spreek zijn taal, ik heb hem in de dialoog leren kennen en als moeder van een zoon heb ik hem als totaal ander op allerlei mogelijke manieren leren kennen. Of met Levinas gesproken: de man behoort tot mijn totaliteit. Maar wie is dan de Ander voor mij? De Ander is datgene wat mij is ontstolen en wat door de censuur van de doctrine van de taal onbesproken blijft; daar waar ik zwijgen moet, omdat mij de woorden ontbreken vertoeft mijn Ander. De Ander die zich toont aan hem.
Ik sta dus op een ander manier in de wereld; de Ander bevindt zich in mijzelf, zij is wat ik niet kan uitspreken, wat ik ben op het moment dat ik mijn kind baar, wat ik zie als ik in de spiegel kijk, wat ik voel bij het afscheid van mijn moeder. Wanneer ik spreek, spreek ik als man, wanneer ik handel, handel ik als man, maar als ik mij toon, mijn ge.laat wend naar de ander , zie jij mij, een vrouw : de Ander.
Wanneer ik mij in de openbaarheid beweeg, ben ik op zoek. In niets kan ik mijzelf herkennen, ik ben genoodzaakt mijzelf te vervormen tot het beeld wat mij is aangeleerd, waardoor ik de Ander word. In de spiegel ontmoeten wij elkaar, een stilzwijgende herinnering.
De mens is een androgyn wezen.
Ik sta een androgyne mensbeeld voor. Zodra de parameters van het mannelijk geslacht hun exclusiviteit verliezen, zal ook de dominantie van het, mannelijke niet langer kunnen bestaan en zal het vrouwelijke worden bevrijdt uit haar eeuwen oude onderschikking, zodat het evenwicht herstelt wordt.
Androgynie betekent voor mij een evenwicht tussen dat wat toebehoort aan het vrouwelijke domein en dat wat toebehoort aan het mannelijke domein, een gelijkwaardige maar geen gelijke vertegenwoordiging van hij en zij in hem en haar. Een ‘noodzakelijke’ tweeheid, elk op zichzelf dan wel op haarzelf zijn in de Vrouw alsmede de Man beide (her)kenbaar zonder dat zij tot dezelfde categorie vervallen en/of van elkaar afgesloten zijn. Immers zowel de man als de vrouw hebben hun eigen wijze van in de wereld zijn, maar zij vullen elkaar aan. Hun verschil is juist de eenheid.
Beeld van Nagarjuna bij het Samye Ling Klooster in Engeland
Het androgyne subject kan spelen met zijn ‘bi- geslachtelijkheid’ zonder daarbij de ander te vernietigen. De ander is nu ieder ander. De Ander is niet langer absoluut noch relatief, zij is gelijktijdig.
Misschien moet daarom het androgyne meer in het verlengde van het Taoïsme en Zen worden gezien, alhoewel we er voor moeten blijven waken dat we niet opnieuw door datgene wat we proberen te overstijgen worden terug gezogen. De manier waarop in Zen en ook de Tao met verschil en ervaring wordt omgegaan kunnen ons in ieder geval helpen om de geslachten niet langer tegenover elkaar te plaatsen, maar bij elkaar te nemen en als verschil samen te laten gaan. Ook de gedachte van de vloeiende beweging, Woe Wei (het principe van ‘stromend water’) kan gebruikt worden om te laten zien hoe het androgyne gedacht zou moeten worden. De beweging, het samenspel tussen het mannelijke en het vrouwelijke is vloeiend, zij vullen elkaar aan, vloeien in elkaar over. Er is dus niet langer sprake van een noodzakelijk onoverbrugbare scheiding.
Nagarjuna’s boeddhistische leer van de leegte zou kunnen dienen als richtpunt; het brandpunt van de Spiegel. De leegte is dan als het ware de plek van waaruit we alles kunnen herzien, waar we tot de nuchtere ontdekking kunnen komen dat we niet(s) zijn zonder de ander. Dus als de ander minder is dat dan ook jij ineen schrompelt, immers de wereld zoals wij die denken is slechts een projectie en hoe groter de waarde is die we aan de verhoudingen binnen deze projecties geven is, des te groter is ook onze desillusie wanneer blijk dat een bepaalde redenatie op een dood spoor zit.
Slot.
De hedendaagse crisis in het westerse denken, waarbij het subject ten graven wordt gedragen betekent niet dat zij niet langer meer gedacht kan worden, het kan alleen niet meer op de traditionele wijze gedacht worden. Immers die sluit een helft van het zijn uit waardoor iedere ‘waarheid’ een halve wordt.
Wil er werkelijk sprake zijn van een gelijkwaardige positie van vrouwen en mannen, van een evenwicht tussen het vrouwelijke en het mannelijke dan zullen we ons radicaal moet bezinnen op ons hele systeem welke in onze maatschappij werkzaam is. Een herbezinning op de werkelijkheid, de taal en ons denken, welke ons op den duur zal tonen dat het mannelijke en het vrouwelijke totaal van elkaar verschillen zonder aan elkaar ondergeschikt te zijn, zonder afstand van elkaar te nemen en zonder dat ze elkaar uitsluiten.
Of,afsluitend met de woorden van Luce Irigaray: “Het feit dat de ‘bevrijding’ van vrouwen noodzaakt tot een transformatie van het economische, die onvermijdelijk moet gaan door die van de cultuur en haar werkende instantie: de taal. Zonder deze interpretatie van een algemene grammatica van de cultuur, zal het vrouwelijke nooit plaats vinden in de geschiedenis, behalve als een reserve van materie en van (be)spiegeling. En zoals Antigone al zei: tussen haar en hem zal nooit iets gezegd kunnen worden.”
terug naar boven
Deel 1 : Hoe wij zien dat wij zijn.

Wanneer we kijken naar de wereld om ons heen in al haar verscheidenheid, naar de mensen, naar de verschillende wetenschapsgebieden en vormen van religie, dan is het onvermijdelijk om te concluderen dat er verschillende manieren van kennen te onderscheiden zijn. De mogelijkheidsvoorwaarden van een bepaalde ken-houding zijn niet als empirische kennis op te vatten en blijken onderling nogal eens te verschillen.
Alles wat wij waarnemen, nemen wij waar in het perspectief van het binnen en het buiten. Het individu, het levend wezen -zelf- is verantwoordelijk voor het binnen en het buiten. Levende organismen zorgen zelf voor de grens tussen het binnen en het buiten. De grens behoort tot het levende ding en via deze grens heeft het contact met dat wat buiten hem/haar ligt. Elk levend wezen heeft dus deze grens, zij is dynamisch en gaat boven zichzelf uit terwijl het zichzelf ook tegemoet treedt.
De bijzondere positie van de mens in de natuur kan niet worden verklaard door iets wat daar buiten ligt, zij moet in de natuur zelf terug te vinden zijn. De grens kan niet iets zijn zonder ook in de wereld te zijn. De grens is afsluiting en toegang tegelijkertijd. Door de grens zijn wij iets in de buiten wereld. De mens weet dit en staat daarom niet zonder meer in het centrum van zijn omgeving. Deze positie is als ex-centrisch te beschouwen. Een term die Plessner als zodanig geïntroduceerd heeft.
Wij zijn ingebed in onze natuur en cultuur, bovendien nemen wij daarbij een bijzondere positie in. De subjectiviteit is niet enkel in de geest maar wordt bepaald door hoe wij in het leven staan. De mens is dus instaat om bij zichzelf te staan, kan zichzelf beschouwen en kan daardoor veranderen. Wij kijken als het ware vanuit het centrum naar het centrum.
Deze distantie, moet worden opgevat als een beweging van buiten naar binnen. Reflexiviteit wordt zo op het lichaam zelf betrokken. De grens moet worden gezien als afbakening van de zelfstandigheid en als opening naar de =openheid=; de mogelijkheid waardoor de beweging kan plaats vinden.
De Ander is in de beweging naar buiten toe, het ex-centrisme, meegenomen. Het openstaan voor de ander, de eigenheid van de dingen gaat het eindige bestaan te boven.
De openheid is een openheid vanuit zichzelf.
De buitenwereld werkt niet enkel op ons in maar dringt ook de binnensfeer van ons bewustzijn binnen. In het afstand nemen, kan de mens zich bezinnen op het verleden – de wezensschouw – en op het eigen denken, de vooroordelen en vanzelfsprekendheden.
Het vooroordeel ontstaat wanneer de distantie achterwege blijft, waardoor we ons niet bewust worden van dat wat wij voor(ver)staan.
Het is een afstand nemen tot dat waartoe wij behoren. Dit doen we in de aanschouwing; het interpreteren. In het volle besef dat je toebehoort aan jouw traditie, neem je binnen die traditie afstand. Dit afstand nemen en toebehoren vindt gelijktijdig plaats, maar valt niet samen want anders verval je in een solipsisme en is het niet mogelijk om op een nieuwe wijze in de wereld te staan.
Hoe wij waarnemen, denken en handelen wordt bepaald door het kader waarin leven. De structuren en processen welke zich reproduceren in onze taal zullen in een kritische dialoog met onszelf en de wereld om ons heen verstoord moeten worden. Een bezinnen op en opnieuw interpreteren van dat wat achter ons ligt zouden ons hiervoor instrumenten in handen moeten geven.
Levend in een wereld waar we steeds meer mogelijkheden tot hebben om in contact te treden met en te reflecteren op de groeiende diversiteit aan manifestaties van denkbeelden kunnen we proberen het onbesprokene bespreekbaar te maken, het onzichtbare zichtbaar maken en het ongekende kenbaar maken.
In de ruimte die we door open te staan voor ‘de ander en onszelf scheppen kunnen, in de ontmoeting en het afstand nemen, de reflectie op de ervaring en ons denken daarover, kunnen we ons handelen zo bijstellen dat de ander, het vrouwelijke en het vreemde niet langer tegenover onder onze eigenheid, het mannelijke en het bekende wordt geplaatst maar naast ons kan gaan staan waardoor we samen verder kunnen. Een realisatie van de twee-eenheid, waardoor er een wereld van diversiteit voor ons toegankelijk wordt.
terug naar boven
Deel 2 : Hoe wij weten wat wij zijn.
Geplaatst door Ina Dijstelberge op dinsdag, 28 april, 2009 · 11 Reacties
Over het algemeen wordt aangenomen dat denken de kennende mens van het dier onderscheidt. Zinvolle kennis is al in het bewustzijn ervaren en begrepen en in het denken opgenomen en verwerkt. Wij als mensen zijn niet gebonden aan het hier en nu, maar nemen hiervan afstand zodat wij de dingen op een rationele manier kunnen opnemen.
Dit maakt het mogelijke om dingen die zich aan ons voordoen telkens in een bepaalde context en hun toedracht in een nieuwe horizon te plaatsen. Deze vrijheid van het denken is gelegen in de vrijheid van de geest, het verstandelijke, dat zich losmaakt van het onmiddellijk gegeven hier en nu om zo een wereld van de gedachten te creëren. Dit getuigt op zijn beurt van de mogelijkheid van andere zijnswijzen.
De mens kan begrepen worden en zichzelf begrijpen als eenheid van lichaam en geest. Beiden zijn speciaal en onafscheidelijk, er is geen sprake van dualiteit. Er kan ook geen sprake zijn van twee verschillende substanties; een fysische en een psychische. Er is daarentegen wel sprake van twee verschillende gezichtspunten op een ondeelbaar iets wat daaraan vooraf gaat. Iets wat ik altijd een twee-eenheid noem.
Door in de imaginatieve interpretatie, de aanschouwing, te expliciteren kunnen we een nieuw perspectief onderbouwen. Wij kunnen de horizon veranderen door variaties toe te passen. Zo kunnen we tot dynamisch zelfbegrip, in de zin van filosofische zelfkennis, komen.
Het begrip dat ik van mijzelf en mijn omgeving heb, is altijd onvolledig. Je kan dit als een functionele onvolledigheid nemen, welke onze drang naar perfectioneren verklaart. De vervolmaking van onze beelden, ons zelfbegrip en ons kennen is daarom een dynamisch proces op zich.
Met de natuur en cultuur houden wij als het ware een hermeneutisch gesprek. Hierin staat zelfreflectie en (con)textualiteit centraal. Uitspraken worden teruggeplaatst in hun context en krijgen zo hun betekenis. Hiermee wordt getracht tot een vooroordeel vrije beschrijving van de dingen die zich voordoen te komen. Het is hierbij de kunst om constant vragen te blijven stellen en daardoor je eigen inzicht open te laten zijn.
De natuurlijke mechanismen en culturele processen moeten zo ter sprake gebracht worden dat ze passen in een levensgeschiedenis van een bepaald mens. Je doet middels onderzoek en zintuiglijke waarneming, empirische en analytisch kennis van mensen op. Wat er verschijnt, de uitkomst, is typisch voor deze of gene mens en is afhankelijk van verschillende inhouden van verschillende mensen.
Universele uitspraken, wetmatigheden over de mens, als deze überhaupt al bestaan, zijn niet a priori te stellen, zij moeten empirisch bekrachtigd worden.
Deel 3 : Gekooide vrijheid.
Binnen de filosofische antropologie staat een zeer gericht vragen stellen, vraagtekens plaatsen, in het proces naar zelfverwerkelijking bij een onvolledig zelf begrip, centraal. Het zoeken naar een zelfbegrip welke het absolute idee van autonomie – de vrije en zelfstandige mens – kan opheffen en haar karaktertrekken in de overwinning weet te behouden kan als een doel binnen de filosofie worden gesteld.
De vrijheid van de mens is altijd relatief want zij wordt bepaald door een context van (omgang met) waarden, formaliseringen, objectiveringen en procedure ontwikkelingen. In de beschouwing van datgene wat gepasseerd is blijven wij vaak oordelen vanuit deze context. Ik beschouw dit als een vanzelfsprekendheid en volgens Maarten Coolen is het “een institutionalisering van een reflectie op een bepaald handelen als zodanig”. Volgens hem zouden wij ook “in een verstandelijke reflectie op het voor-moderne het normatieve waarde patroon” moeten doorbreken. Hierdoor komen er “openingen voor een werkelijk ingaan op de gestelde vragen” 1
Wanneer wij onze vrijheid willen realiseren vereist dat dus meer dan zogenaamde institutionele onbepaaldheid van waarden; de waarde beleving moet een bepaalde inhoud hebben, waarde beleving is meer als een structuur, zij is ook een proces. Zonder een bepaalde inhoud voelen wij ons niet langer betrokken bij de constante verwerkelijking van onze autonomie en onze vrijheid.
De inhoud zou daarom gevuld moeten worden met de twee-eenheid: het waardeloze en waardevolle, het positieve en negatieve, het mannelijke en het vrouwelijke, het ene en het andere. Zolang wij dit niet, in ons kijken, reflecteren en kennen, kunnen realiseren, blijven wij leven in een gekooide vrijheid.
Doordat de mens met de precisering en perfectionering van technieken steeds meer in staat is zijn en haar innerlijk een uitwendig gedaante te geven, stellen hij en zij zich steeds meer open voor een differentere vorm van denken. In zijn en haar pogingen om het innerlijk vorm te geven in de buitenwereld kan de mens radicaal tegenover de heersende ,op oude pre-moderne en moderne , fundamenten (be)rustende, structuren en instituties komen te staan. Een botsing tussen het zelfverwerkelijkende vrije en autonome subject met de holle tralies van zijn en haar kooi.
1: Maarten Coolen : De machine voorbij.
Over zelfbegrip van de mens in het tijdperk van informatie en techniek.
HFD 15 blz 335-336
Deel 4 : Een wereld van verschil.
Iedere menselijke relatie is per definitie ongelijkwaardig omdat zij onvolledig is. De ongelijkwaardigheid van menselijke relaties staat in direct verband met de ervaring van ik met de ander. In deze ervaring oordelen wij over de ander en bepalen zo onze positie. Vanuit deze positie zullen wij handelen en begrijpen.
De gerichtheid op de ander is dus niet enkel een intentionele – naar binnen gericht – maar biedt ruimte voor een bepaalde vorm van openheid – een naar buiten treden-.
Je kunt deze lijn door trekken naar een groter en meer beeldend geheel; een breder perspectief. Wij, Europeanen, als boegbeeld van de witte macht, hebben een eeuwen oude patriarchale christelijke cultuur welke gewaarborgd moet blijven.
De (oppositie) dualiteit VERTROUWD-VREEMD functioneert al eeuwen om de grenzen van de natie, het volk en zijn “cultuur” vast te stellen. Schadelijke en bedreigende invloeden op de gemeenschap – van buiten of/en binnen uit – moeten worden buitengesloten, het liefst geëlimineerd maar op zijn minst worden beheerst.
De ander staat aan de grens maar alleen het mij bekende mag binnen komen en zich met mij verenigen. Het mij vreemde blijft aan de grens, blijft van mij ‘vervreemd’.
Het Een, het ik, is zeker van zichzelf en zijn positie wanneer hij de Ander, het vreemde, een afgebakende plaats heeft gegeven.
De waardering van de verschillen en/of de scherpte van het onderscheid geven aan in hoeverre iemand in staat is om vanuit zijn eigen positie toenadering te zoeken met het vreemde. Een caritatieve gerichtheid op de vreemdeling zou de vervreemding kunnen opheffen dan betekent het ook dat de grenzen tussen het ik en de ander vervagen en tenslotte worden opgeheven. Het Christelijke “heb uw naaste lief gelijk u zelve” impliceert dat je de ander, de vreemdeling, niet langer tegenover je stelt maar naast je.
Helaas liggen deze christelijke normen ingebed in een patriarchale cultuur, waardoor er altijd een bepaalde hiërarchische vorm gehandhaafd blijft. De grootste onderschikking betreft hierbij de onderschikking van de vrouw aan de man c.q. het vrouwelijke aan het mannelijke. Een onderschikking die ertoe toe heeft geleid dat voor de helft van de wezenskenmerken van de mens, namelijk die aan het vrouwelijk domein verbonden zijn, een beperkte ruimte is. Zij zijn gevangen binnen de vier muren van “het huis” dat onder de bezielende leiding van “een heer” valt. De Ander is ingeperkt en geëlimineerd uit de bestaanswereld van de Een.
Toch; de westerse traditie laat, ondanks alle verwoede pogingen het ik te beperken tot de Rede en zodoende te beheersen, ruimte voor de toenadering en verkenning van de vreemde ander. Wanneer de grenzen diffuus zijn dan kan er osmose plaats vinden waardoor de ander en het ik elkaar kunnen ontmoeten.
Daarom moet, zoals al eerder is aangegeven, het pre-moderne en moderne dualistisch denkkader worden overwonnen en plaats maken voor een post-moderne vorm van differentie en non-duaal denken.
Verschillen staan dan niet langer tegenover elkaar en zijn ook niet meer aan elkaar ondergeschikt. Wanneer men zich positief wil openstellen voor de verscheidenheid van waarde beleving, is er een kans op een vanzelfsprekend zijn van diversiteit en differentie. Maarten Coolen stelt dat : “In de verwerkelijking en het doorzien van de autonomie creëert de mens een openheid voor veelheid aan waarde belevingen. Metafysische inhouden blijken nu noodzakelijk; dan kan er een daadwerkelijke omzetting naar ervaring van de openheid plaatsvinden”. En dit leidt tot wat hij noemt een “institutionele garantie voor de mogelijkheid tot verschil”.
terug naar boven
Deel 5 : Gender; de scheiding tussen Ik en de Ander.
Gender, onze geslachtelijke bepaaldheid, is de meest primaire onderscheidingscategorie van de mens. De positie die een mens inneemt in de wereld wordt dan ook in de eerste plaats bepaald door het geslacht (gender). Deze lichamelijke bepaaldheid is het meest zichtbaar en daardoor ook voor het oog het meest te onderscheiden.
Het pre-moderne en moderne denken in onze traditie kenmerkt zich door de schijnbaar hiërarchische verhoudingen tussen de man en de vrouw als absoluut te nemen. Zo wordt een voor dit denken noodzakelijke dualiteit geconstrueerd.
Luce Irigaray stelt:
“Het is belangrijk verwarring te stichten in een uitsluitend volgens ‘mannelijke’ parameters geconstrueerde voorstelling. Dat wil zeggen, volgens fallocratische orde die men niet moet omkeren, -dat zou uiteindelijk op het zelfde neerkomen-, maar die men, uitgaande van een gedeeltelijk aan haar wet onttrokken ‘buiten’, moet verstoren en aantasten.”1
De fundamenten van deze, wat ik noem, patriarchale en fallocratische dan wel fallocentrische structuren en instituties hebben zich zo diep in ons ((onder)bewust)zijn gepenetreerd en genesteld, dat ze onze perceptie (ver)vormen, ons kennen (be)sturen en ons weten begrenzen.
Kortom, zij liggen, als vanzelfsprekendheden, aan de basis van onze conceptualisatie en interpretatie van de werkelijkheid.
Of zoals Luce Irigaray het zegt:
” De man lijkt , direct of indirect, het heelal zijn geslacht te hebben willen geven zoals hij zijn kinderen, zijn vrouw, zijn goederen zijn naam heeft willen geven. Dit drukt heel zwaar op de verhoudingen van de seksen (geslachten) tot de wereld, de dingen, de objecten.”2
Ook de hieraan gekoppelde mannelijke en vrouwelijke waarden worden gescheiden domeinen; tegenover elkaar en de eerste ondergeschikt aan de tweede. Deze symptomatische tegenoverstelling en onderschikking heeft als consequentie dat deze twee als mannelijk en vrouwelijk gespecificeerde en gedetermineerde domeinen van elkaar geïsoleerd raken; zij zijn voor elkaar tot ‘verboden gebied’ verklaard. Ruimte en openheid zijn hiermee uitgesloten.
Opnieuw Luce Irigaray:
“Sinds eeuwen is hetgeen meer wordt gewaardeerd van het mannelijke geslacht en hetgeen minder wordt gewaardeerd van het vrouwelijke geslacht….
De positieve connotatie van het mannelijke als geslacht van de woorden gaat terug tot de tijden waarin de patriarchale en fallocratische macht werd ingesteld, en wel door de toeeigening van het goddelijke door de mannen….
Zonder goddelijk macht konden mannen de verhoudingen moeders¬dochters en haar bevoegdheden op het gebied van de natuur en van de samenleving niet verdringen. Het sperma waarvan de macht van de voortplanting niet onmiddellijk zichtbaar is, wordt afgelost door de taalkundige code, door de logos. Deze wil de alles omvattende waarheid worden.
In de toe-eigening van de taalkundige code door de mannen liggen minstens drie bedoelingen:
- 1. bewijzen dat zij vaders zijn,
2. bewijzen dat zij machtiger zijn dan moeders, vrouwen,
3. bewijzen dat zij in staat zijn de culturele wereld voort te brengen zoals zij in de natuurlijke wereld van de eicel, van de bulk, van het lichaam van de vrouw ook worden voortgebracht.”3
De mogelijkheid tot het ervaren en erkennen van gender diversiteit vereist een open houding jegens uiterlijke manifestaties’ van de innerlijke geslachtbeleving. Een innerlijke geslachtbeleving die door de mogelijkheden van de techniek steeds meer een uitwendige vorm kan krijgen waardoor de mogelijkheid tot (zelf)reflectie veelvuldig en toegankelijk wordt.
Ruimte en openheid komen beschikbaar in de beweging van het afstand nemen en toenadering zoeken tot het (ver)ander(d)e. In de verandering van het vertrouwde naar het vreemde, vertroebelen de grenzen en verdwijnt de dualiteit van weleer.
Ik en de Ander komen in de transformatie naast elkaar te staan. Een verwerkelijking van de twee-eenheid door het overwinnen van de scheiding in het voorbijgaan aan de vervlogen tijd.
1.Uit: “Dit geslacht dat niet (één) is.” pagina 57
2.Uit :”Ik, jij, wij, voor een cultuur van het onderscheid” blz 3. idem blz 76-77
terug naar boven
Deel 6 : Seksualiteit; de scheiding tussen het huis en de wereld.
De tweede primaire onderscheidingscategorie is gericht op de positie van de geslachten. Het huis is de plaats waar de vrouw de haar toegedeelde kwaliteiten mag verwezenlijken en de wereld is de plaats waar de man vertoeft en met de zichzelf toebedachte eigenschappen zich manifesteert.
Seksualiteit is evenals gender ambigu. Seksualiteit vertegenwoordigt de (natuurlijke) drift tot het instant houden en veredelen van de soort en de (culturele) behoefte aan verheerlijking en genieting. In de pre-moderne en moderne tijd zijn beide uitgegroeid tot een ethisch exponent en een esthetisch exponent, waarbij de voortplanting en veredeling haar onderdak vond in het huwelijk en de wetenschap, en de erotiek en de lust zich in konden manifesteren in de kunst/religie en de economie.
De ethische exponent ligt verankert in een moraliteit uit de Oudheid.
Foucault omschrijft dit als :
“Het is een mannenmoraal: een door mannen bedachte, geschreven en onderwezen moraal die zich tot vanzelfsprekend vrije mannen richt. Bijgevolg een viriele moraal, waarin vrouwen enkel als object voorkomen of hoogstens als partners die gevormd, gevoed en in het nog gehouden moeten worden als je bevoegdheid over hen hebt en die je daarentegen met rust moeten laten als een ander (de vader, de echtgenoot, de voogd) bevoegdheid over hen heeft” 1
De esthetische exponent ligt verankerd in de mystieke veelheid van vormen van liefde bedrijven en de schijnbaar onuitputtelijke mogelijkheden van bevrediging van de lust. Het mystieke werd tot kunst verheven, een muze in het leven van de man en de ultieme genotsbeleving tot vakmanschap, de kroon op het ego van de man.
Beide exponenten zijn volgens de bekende processen, van tegenoverstelling en onderschikking, een eigen leven gaan leiden, met hun eigen tegenoverstellingen en onderschikkingen in de rol van de man en de vrouw en de positie van het mannelijke en vrouwelijke in de uitoefening.
Waarde oordelen als passief en actief, onvruchtbaar en vruchtbaar, slecht en goed evenals ziek en gezond fungeren als hulpmiddelen bij de beoordeling, groepering, classificering en beheersing van het ongrijpbare gedifferentieerde en gevarieerde fenomeen seksualiteit.
Maar ook hier worden de kunstmatig opgebouwde structuren en instituties gelogenstraft voor hun gebondenheid aan absolute waarden en starheid van bepalingen. In zijn vrijheid van denken heeft de mens de mogelijkheid om zijn en haar innerlijke belevingswereld te conceptualiseren.
De huidige vrijheid maakt dat mensen steeds openlijker deze denkbeelden en daarmee dus hun innerlijk manifesteren in de buitenwereld. Inmiddels is de mens omringd met allerlei manifestaties van seksualiteit beleving en seksuele bepaaldheid en zijn, ondanks dat nog vele uit angst de vertrouwde (seksuele) identeit te verliezen zich er radeloos in vast bijten, de van oudsher voorhanden zijnde predicaten leeg en waardeloos geworden.
In een wereld waar seksuele diversiteit niet langer idee maar werkelijkheid is, vervagen de grenzen. Komt er openheid en ruimte voor nieuwe omgangs, uitings- en belevingsvormen, waardoor mensen het vrouwelijke en mannelijke in zichzelf en van de ander kunnen beleven. Ook het huis en de wereld kunnen dan, met een nieuw blikveld, bewoond en gevormd worden door beide geslachten.
1. uit: “Geschiedenis van de seksualiteit II: Het gebruik van de lust. pag 26.
terug naar boven
Deel 7 : Cultuur en etniciteit; de scheiding tussen vriend en vijand.
Een laatste primaire onderscheidingscategorie bij positionering van (groepen) mensen binnen een gemeenschap en in de wereld, is die van de culturele en etnische bepaaldheid. De etniciteit is nauw gerelateerd aan de door Darwin geïndiceerde en de door de (zich) superieur voelende, denkende en handelende witte gemeenschap ontwikkelde rassentheorieën. Een ras is evenals het geslacht direct zichtbaar en voorhanden om als scheiding tussen groepen te dienen.
Net als bij de scheiding van de geslachten heeft ook hier de witte man de van hem afwijkende verschillen (het niet-zelf) van de mensen om hem heen gedetermineerd, gecategoriseerd, gewaardeerd en gepositioneerd. Aldus ontstond een geconstrueerde raciale en etnische hiërarchie met de gebiedende witte-man aan het hoofd die zich naar eigen lust en willekeur van de tegenover en onder zich geplaatste gedegenereerde gele man, gedienstige bruine man, slovende zwarte man en primitieve rode man kon bedienen. De rassen werden verder onderverdeeld in etnische klassen en aldus was de menselijke soort in kaart gebracht.
De cultuur waartoe een mens behoort, bepaalt in welke mate en welke vorm de mens zichzelf kan realiseren. De cultuur geeft ook de bewegingsruimte aan waarbinnen mensen kennis kunnen ontwikkelen, hun kennis kunnen vergroten en verbreden. De eigen vertrouwde cultuur wordt afgebakend door het niet-zelf, het niet-gekende, niet-vertrouwde en niet-gewenste van de ander.
Aan de grens staat een vreemdeling, een vreemdeling uit het onbekende. De vreemdeling is vijand, zij is alles wat wij niet-zijn. Maar in de ontmoeting is er ook herkenning. Herkenning van het ooit zelf vreemdeling te zijn geweest. De hunkering naar het onbekende, het mystieke en onbereikbare aan de andere kant van de grens.
De vreemdeling mag binnenkomen als gast, vluchteling of werkkracht wanneer zij zich confirmeert aan de heersende waarden, normen, regels, rituelen, structuren en processen van de cultuur. Wij tolereren haar en vinden dat wij de ander goed doen.
De plaats van de vreemdeling in de groep is nooit zeker omdat het afnemen van deze plaats en het elimineren uit de groep altijd als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de vreemdeling hangt.
Met haar bewoners gevangen in het web van dualiteitsdenken uit het pre-moderne en moderne denken raakt de westerse cultuur verstrikt in haar zelf gecreëerde interne conflicten en tracht zij, middels de haar door de structuur voorhanden zijnde regelgeving en de door institutie gegenereerde procedures, de orde te herstellen.
Julia Kristeva zegt over de zogenaamde vreemdelingen problematiek in de westerse wereld:
” Ten aanzien van het vreemdelingenprobleem zijn de woorden, de moeilijkheden, ja zelfs de impasses van onze voorouders meer dan een geschiedenis; ze vormen een culturele afstand die bewaard en ontwikkeld moet worden, een afstand waaruit de primaire houdingen van afwijzing of van onverschilligheid gematigd en veranderd zouden kunnen worden, evenals de willekeurige of utilitaire beslissingen waarmee tegenwoordig de betrekkingen met vreemdelingen geregeld worden. Te meer daar wij allemaal bezig zijn vreemdeling te worden in een wereld die wijder is dan ooit, veelvormiger dan ooit onder haar ogenschijnlijke eenheid van wetenschap en media.”1
Het is opnieuw in het voorbijgaan aan vroeger – in het besef van onze eigen vreemdheid en de eigenheid van de ander – het absolute en dualistische achter ons laten om ruimte en openheid te scheppen voor de (nieuwe) diversiteit van de groep. De ander en ik, het vreemde en vertrouwde hebben elkaar ontmoet en gaan samen verder.
1. Uit : De vreemdeling in onszelf. Pagina 114
terug naar boven
Deel 8 : In het spreken treffen wij elkaar.
De gender dimensie
De filosofische positie ten aanzien van “betekenis” richt zich op specifieke relaties tussen denken-taal-werkelijkheid. De werkelijkheid is buitentalig, het denken is mentaal en een taal is elk willekeurig symboolsysteem.
Mensen ontmoeten elkaar in hun handelen; in een totale ervaring van zien, horen, voelen, ruiken en proeven, oordelen wij over de mens die voor ons staat.
De ervaring en interpretatie brengen wij naar eigen keuze over op deze specifieke mens en anderen, veelal leden van de eigen groep. Dit doen wij met onze woorden en lichaamstaal volgens de (aangeleerde) structuren en procedures van de groep waar wij deel vanuit maken.
De betekenis van de taal ligt verankert in pre-moderne en moderne processen van begripsvorming en zingeving. In onze taal vinden wij dezelfde tegenoverstellingen en onderschikkingen als die van waaruit wij ons zelfbegrip en wereldbegrip genereren. Het meest primair is ook hier weer de geslachtelijkheid van de woorden.
Laten we Luce Irigaray weer spreken:
“Hoe is het geslacht aan woorden toegekend? Op verschillende wijzen op verschillende niveaus. Op het meest archaïsche niveau vindt, desk ik, identificatie plaats tussen aangeduide werkelijkheid en de sekse van de spreker.
Er blijft altijd iets van deze eerste identificatie in het geslacht van de woorden over.
Ze is min of meer expliciet of verborgen. Maar er speelt nog een ander mechanisme dan de identificatie tussen de aangeduide werkelijkheid en geslacht. Levende, ·bezielde, ·beschaafde wezens worden mannelijk; levenloze, onbezielde, onbeschaafde voorwerpen worden vrouwelijk. Dit betekent dat mannen zich subjectiviteit hebben toebedeeld en vrouwen tot de status van object of tot niets hebben teruggebracht. Dit is waar voor vrouwen zelf, maar ook waar voor het geslacht van de woorden Het geslachtelijk paar als schepper en vormgever van de wereld bestaat niet. Mannen worden met werktuigen van het vrouwelijk geslacht en met objecten-vrouwen omringd. Zij beheren de wereld niet met haar als geslachtelijke subjecten die over gelijkwaardige rechten beschikken. Dit zal slechts mogelijk worden door een mutatie van de taal. Maar deze mutatie is slechts mogelijk door een herwaardering van het vrouwelijk geslacht. Dit laatste wat oorspronkelijk gewoon verschillend was, wordt na genoeg met het niet-mannelijke vereenzelvigd. Vrouw-zijn betekend geen man zijn.” 1
De seksuele dimensie.
Hoe seksualiteit tot verhullend vertoog is geworden waarmee is door Michel Foucault uitgewerkt om daarmee zijn theorie over de productie en conservering van machtsrelaties te verduidelijken. Foucault zet twee perioden tegen over elkaar.
De periode van de “ars erotica” en de periode van de “scientia sexualis”.
De laatste heeft zich ontdaan van elke vorm van kunst en kan als een discursieve praktijk worden beschouwd.
In de ars erotica is er sprake van een onderwijzer die de jongeling inleidt in de kunst van de liefde, een immanente machtsstructuur. Toen de wetenschap zich verder ontwikkelde werkte dat door in alle facetten van ons levers. Erotiek werd seks en dit op haar beurt seksualiteit. Samen met de predicaten ziek en gezond, kon dit tot onderzoeksgebied worden verklaard.
De bekentenis werd omgevormd tot onderzoeksinstrument en desnoods onder dwang kon worden onthuld wat verborgen was geweest. De mystieke sluier van de kunst moest worden opgelicht en weggegooid om plaats te maken voor een nieuwe deken.
De bekentenis werd in een wetenschappelijk jasje gegoten door het “laten spreken” klinisch te codificeren. Hiervoor gebruikt men gesprekstechnieken en wordt er een diagnose gesteld.
De postulant van een “algemeen diffuse causaliteit” geeft de mogelijkheid om alles terug te voeren op de seksualiteit. Wanneer men zich schaamt of angst heeft is beheersing de oplossing.
Het functioneren van seks is duister. Zij ontglipt ons, zij verbergt zich en ook de gevolgen liggen deels in het verborgene. Wanneer seksualiteit wordt opgenomen in het wetenschappelijke vertoog dan heeft zij niet enkel meer betrekking op het subject maar ook op dat wat voor het subject verborgen blijft en door de bekentenis ontmanteld kan worden.
Een derde punt is het beginsel van aan seksualiteit inherente latentie. Vervolgens werd er gebruik gemaakt van een methode van interpretatie.
Hierdoor verschuift de status van de bekentenis van bewijs naar teken. Het is de luisteraar die de bekentenis verdubbeld en ontcijferd. Hij of zij neemt daarbij een hermeneutische positie in en brengt zodoende een waarheidsvertoog tot stand.
De effecten van de bekentenis werden gemedicaliseerd. In de therapeutische handeling vindt een herformulering plaats, seks is dan niet meer een kwestie van goed of kwaad maar van ziek of gezond. Men kan op deze manier afwijkend gedrag definiëren.





Deelnemerslijst