Jij en Ik
Index
Het lichaam als handelswaar.
Het denken terug in het lichaam.
Jij en ik zijn anders. Genderverschil als uitgangspunt.
De migrant de dupe van het conservatieve denken.
De vreemdeling als bondgenoot of als vijand.
Het lichaam als handelswaar.
De basis gedachte in het (Westerse) denken is dat de waarheid alleen gekend kan worden als het denken is losgekoppeld van het lichaam. Het lichaam is ondergeschikt aan het denken. Het denken definieert de mens. De loskoppeling is noodzakelijk om te ontsnappen aan de vergankelijkheid van het lichaam en daarmee de kennis voortgebracht door het denken onvergankelijk te maken. Vrij naar Descartes kun je zeggen dat het denken en niet het lichaam het ultieme bewijs van je zijn in de wereld is.
Tot de verlichting diende de ziel als mediator tussen het lichaam en het denken. De door de religie gedefinieerde ziel begrensde het denken en daarmee het handelen. De ziel/ God was de rechter en ethicus van de mens. De staat begrensde het handelen en de interactie van een groep mensen, handelen en economie stonden in dienst van de staat. Met het wegvallen van de religie een persoonlijke aangelegenheid geworden.
In de hedendaagse ethiek, economie, en filosofie, wordt het lichaam nog steeds gezien als instrument van het denken. Het denken en de daaraan gekoppelde wetenschap zijn superieur en maatgevend voor het individu. Het zelfdenkende en zelf-verantwoordelijke individu is de meester van zijn lichaam. Zijn lichaam is een middel om het doel van unieke zelfverwerkelijking te bereiken. Dit individu is vrij in zijn handelen en communicatie over en weer met anderen, het individu handelt daarbij vanuit een egoïstisch perspectief.
De Staat heeft de rol van rechter overgenomen waarbij de hoofdzaak is het algemeen belang te dienen en door de juiste voorwaarden te scheppen om de persoonlijke vrijheid te garanderen. De Staat in dienst van de groep en het individu. De omdraaiing van de macht betekent dat niet langer de Staat de openbare inrichting van de samenleving bepaald, maar de technologie en de economie. Het handelen van het individu staat in dienst van deze technologie en economie.
Het lichaam is een representant van de individuele zelfverwerkelijking. Het lichaam is een bezit geworden en daarmee kan worden gehandeld. Niet alleen de door het lichaam geleverde arbeid maar ook het lichaam zelf leveren geld op. Het lichaam wordt als grondstof verhandeld en de bewerking wordt verkocht als product.
In lijn hiermee hebben ook de aan het lichaam verbonden functies , zoals voortplanting, seksualiteit,zorg, gezondheid en representatie enz. een waarde op de markt.Dit alles uit zich in een maatschappij waar alles wat voorheen privé was, publiek handelswaar is geworden.De ontwikkeling is al zover dat er zelfs patent kan worden aangevraagd op gentechnologie en hun producten.Alles is te koop, alles levert geld op in de vrije markt economie.
© oktober 2007 Ina Dijstelberge
Het denken terug in het lichaam.
In het eerste deel heb ik beschreven hoe in het moderne denken de geest van het lichaam wordt gescheiden.
Met het aanbreken van het postmoderne denken ontstond er een tegenbeweging.
De franse filosoof Maurice Merleau-Ponty is een van de exponenten van deze beweging.
“De wereld is geconstitueerd, maar gelijktijdig nog vormende; in het eerste geval handelen wij op basis van, in de tweede hebben een oneindig aantal mogelijkheden tot onze beschikking…. Daarom kan er geen sprake zijn van noch determinisme en noch absolute keus, ben ik noch een ding en noch enkel bewustzijn.”
(MAURICE MERLEAU-PONTY Phenomenology of Perception p.398)
Merleau-Ponty begint bij de alledaagse beleving van de wereld, waar je in eerste instantie de rijke en verscheidenheid van de objecten ervaart vanuit een context. Voor Merleau-Ponty, is het bewustzijn niet alleen iets wat in onze hoofd bestaat. Wij ervaren ons intentionele bewustzijn in en door ons lichaam. Met zijn concept het geleefde en beleefde lichaam, overwint Merleau-Ponty het geest-lichaam dualisme van het moderne denken. Het lichaam is niet langer een machine bestuurt door de geest, het lichaam is waardoor en waaruit wij onze mogelijkheden in de wereld aangaan.
De waarde van het intentionele bestaan van een persoon wordt geleefd/beleefd door het lichaam. Het lichaam is zowel transcendent als immanent. Het is de mediator tussen onderwerp en voorwerp. Je weet dat er dingen bestaan omdat je hen kan aanraken, zien, horen enz. Maar belangrijker, je kent dingen nooit in hun totaliteit, maar altijd vanuit een perspectief. Vanuit dit perspectief herken je het object en tegelijkertijd weet je dat het object meer is dan het perspectief van waaruit je het ervaart. Je kent de objecten in zichzelf zoals zij zich aan je voordoen.
De dingen doen zich aan je voor binnen een wereld, en deze wereld heeft de structuur van een horizon. Het object zoals dat zich aan je voordoet, doet dit altijd tegen een onbepaalde en dubbelzinnige achtergrond. Een achtergrond die naar gelang de context verandert. Wat bepaald was wordt onbepaald en wat onbepaald was wordt bepaald. Dit opent de mogelijkheid tot reflectie en daarmee verandering van het perspectief.
De beleefde ervaring gaat vooraf aan de abstracte bezinning. In het ervaren ben je niet bewust van hoe je ervaart. Het is pas na de ervaring dat je in de reflectie het onbewuste kan beschouwen. Vanuit dit perspectief, kan er gekeken worden naar het onbewuste als de prethematische, preobjectieve, beleefde, concrete, latente ervaring met de wereld (met anderen en met dingen) voorafgaand aan bezinning. Het is de beleving waarop je reflecteert en niet het spreken of denken over. In het overdenken en spreken over de ervaring start de reflectie en wordt de ervaring bewust.
Tot zover, het filosofische betoog dat het denken terug plaatst in het lichaam, sterker nog, het onlosmakelijk met haar verbindt. Tevens geeft het aanknopingspunten voor de wijze waarop wij ons bewust kunnen worden van onze conditionering en daar verandering in aan kunnen brengen.
© oktober 2007 Ina Dijstelberge
Jij en ik zijn anders. Genderverschil als uitgangspunt.
Als ik met jouw spreek, zie ik jou dan
Of zie ik wat ik niet ben…
Als jij met mij spreekt, zie jij mij
Of zie je dat jij niet ik bent …
Als wij praten, dan zien wij
Ik en jij.
In dit deel keer ik terug bij het onderwerp uit deel 1 Het lichaam als handelswaar. en het onderwerp van de emancipatienota; seksualiteit en gender. Aan de hand van dit onderwerp wil ik ingaan op de rol die taal speelt bij ons denken en handelen.
Taal is een van de dragers van betekenis en cultuur . Wij kennen en herkennen door de taal. Wij geven betekenis aan de dingen door de taal en de taal bepaald hoe wij in de wereld staan en hoe we elkaar ontmoeten. Taal voedt, verwoordt en bepaalt onze ervaringen, gevoelens en gedachten.
Onze taal is gevormd door ons verleden, een verleden waar betekenis verkregen werd door vergelijking en onderschikking.
Zoals we in de voorafgaande bijdrage al zagen is de geest niet het lichaam, de geest bewijst dat ik ben, derhalve is het lichaam ondergeschikt aan de geest. De geest is het subject van waaruit men vertrekt en het lichaam is als object de begrenzing.
Volgens filosoof, feminist en activist Luce Irigaray is de scheiding tussen lichaam en denken immoreel omdat het de verdeling man/geest en vrouw/lichaam versterkt. In haar essay Éthique de la différence sexuelle werkt zij aan de hand van een gemimiekte dialoog met zes filosofen een ethiek van het gender verschil uit.
In het eerste deel laat zij in het gesprek met Aristoteles en Plato zien dat de ethische relatie tussen man en vrouw een gericht moet zijn op creativiteit in plaats van reproductiviteit. Zowel vrouwen als mannen nemen daarbij een eigen op zichzelf staande positie in van waaruit zij openstaan voor de ander. Plato en Aristoteles positioneerden en definieerde de man als primair en de vrouw als niet- man.
In het tweede deel disputeert zij in het gesprek met dat een creatieve relatie tussen vrouwen en mannen niet kan ontstaan zolang er geen volledige erkenning van het onherleidbare verschil van de ander is en de begrensdheid van de ander wordt toegelaten en erkent. Volgens Descartes en Spinoza nemen wij twee eigenschappen of openbaringen van God/ Natuur waar, deze manifesteren zichzelf als ‘denken’ en als ‘uitgebreidheid’.. De man als één en de vrouw als veelheid, terug te voeren op de scheiding tussen geest en lichaam.
In het derde deel beschrijft Luce Irigaray hoe belangrijk het concept van verwondering voor de ander is. Zij stelt dat het uitsluiten van de vrouw van subjectiviteit, door haar als object ter begrenzing van de man te positioneren en dat de algemene denkbeelden in onze cultuur door een “mannetje” bepaald zijn, immoreel zijn. Zij stelt dat een creatieve ethische relatie vereist dat mannen en vrouwen elkaar als geïncorporeerde subjecten moeten zien.
In het laatste deel bespreekt ze in het gesprek met Merleau-Ponty en Levinas dat de ethische relatie tussen mannen en vrouwen alleen tot stand kan komen wanneer mannen hun nostalgie met de baarmoeder verbreken. Zodoende kunnen zij hun eigen identiteit ontwikkelen en daarmee ruimte scheppen voor vrouwen om hun eigen identiteit te creëren. De andersheid en eenheid moeten volgens haar als in het lichaam verbonden worden met worden gedacht. Levinas positioneerde de ander als ander op zichzelf en onafhankelijk van de ik en Merleau-Ponty bracht zoals ik in mijn vorige bijdrage aangaf het denken terug in het lichaam.
Luce Irigaray is niet van mening dat de Westerse cultuur ethisch is en als primaire reden geeft zij de wijze waarop vrouwen en natuur behandeld worden. Wij zijn genoodzaakt om onze visie op subjectiviteit, wetenschap en religie te veranderen. Mannen en vrouwen moeten leren samenwerken zodat zij leren het onherleidbare verschil tussen beiden te erkennen. Vrouwen moeten volledige subjecten worden en mannen moeten erkennen dat alleen zij dat belichamen. De ethische relatie tussen mannen en vrouwen moet gebaseerd zijn op respect voor andersheid en creativiteit.
Wanneer we dit nu terugkoppelen naar de seksualisering van de samenleving dan moeten we tot de conclusie komen dat alhoewel vrouwen door het emancipatieproces een gelijke positie in de samenleving kunnen innemen, dit alleen kan door de positie van de mannen over te nemen. Zij hebben niet een aan hun eigen existentie verbonden positie weten te verwerven. Deze eigenheid wordt namelijk nog steeds niet erkend.
© oktober 2007 Ina Dijstelberge
De migrant de dupe van het conservatieve denken.
Als
Jij bent naast mij
Ben ik naast jou
Zoals jij voor mij
Dan
zijn wij beide
de vreemdeling
die ons dwingt
onszelf te zien als ander.
Deel 3: Jij en ik zijn anders. Genderverschil als uitgangspunt. eindigde ik met het volgende:
Wanneer we dit nu terugkoppelen naar de seksualisering van de samenleving dan moeten we tot de conclusie komen dat alhoewel vrouwen door het emancipatieproces een gelijke positie in de samenleving kunnen innemen, dit alleen kan door de positie van de mannen over te nemen. Zij hebben niet een aan hun eigen existentie verbonden positie weten te verwerven. Deze eigenheid wordt namelijk nog steeds niet erkend.
Duidelijker wordt dit als we kijken naar de manier waarop de huidige islam discussie en het bredere integratie debat gevoerd wordt.De migrant, en in het bijzonder de islamitische migrant, is een vreemdeling die zich in onze maatschappij vestigt.
Degene aan de conservatieve zijde van het debat gaan ervan uit dat immigratie en in het bijzonder de moslim migratie een gevaar vormen voor de westerse maatschappij omdat zij, de vreemdeling, onvoldoende in staat zijn of de wil hebben zich aan te passen. De extremen gaan hierin nog een stapje verder en waarschuwen voor een Islamitisering van de samenleving.
De migrant is een goede migrant wanneer hij zich aanpast aan de normen, waarden en gewoontes van de samenleving waar hij/zij zich vestigt, als de migrant één van ons wordt.De migrant moet veranderen, de samenleving niet. Het verwijt van de conservatieven richting de progressieven is dat zij de eigenheid verkwanselen of sterker nog corrumperen. Integratie met behoud van de vreemde cultuur is volgens hen onmogelijk en de ‘crisis’ waarin wij ons nu bevinden is daar het bewijs van.
Het conservatieve denken is direct terug te voeren op het moderne denken, waar de ander dient als begrenzing van het ik. De ander is anders omdat hij niet is wat ik ben. De eenheid van eigen cultuur bestaat ten opzichte van andere vreemde culturen. Dat immigratie invloed op de op de ontvangende samenleving wordt door niemand ontkend. De tegenstelling ligt echter in het feit dat de progressieve de aanwezigheid van de ander toestaan en de andersheid van de ander accepteren, terwijl de conservatieven de ander accepteren wanneer zij hun andersheid verliezen.
De conservatieven doen dit vanuit de wetenschap dat de acceptatie van de andersheid van de migrant betekent dat de identiteit van de samenleving als geheel verandert.
En juist dit laatste is voor de conservatieven onacceptabel.
© oktober 2007 Ina Dijstelberge
De vreemdeling als bondgenoot of als vijand.
Deel 4 eindigde als volgt:
De conservatieven doen dit vanuit de wetenschap dat de acceptatie van de andersheid van de migrant betekent dat de identiteit van de samenleving als geheel verandert.
En juist dit laatste is voor de conservatieven onacceptabel.
Het kenmerkt zich tevens door het denken in de oppositie Westers- Niet Westers. Het Niet -Westers wordt vervolgens onderverdeeld tussen gebieden die onder de Westerse invloedssfeer vallen en zij die dat niet doen. Je zou het kunnen zien als een onderverdeling in vreemd, vreemder vreemdst. Een soort van periferieën rond het Westerse centrum.
In Clash of Civilizations stelt Samuel Huntington differentiatie aan volgens bovenstaand idee. Als het Westerse gedachtegoed zich uitbreidt zal zij in botsing komen met andere aan het Westen vreemde culturen. Het zijn de anderen die conflicteren met de eigen cultuur. Met name de conservatieven hebben de ideeën van Huntington omarmd en hebben onder invloed van dit denken zich geconcentreerd op de vreemdste vreemdeling, de grootste ander waarmee een botsing onvermijdelijk is.
Deze vreemdeling is geen rivaliserende staat, maar een religie; de Islam. De Conservatieven hebben daarmee de islam als ultieme ander en vreemde tot vijand van zichzelf gemaakt.
Waarom moeten wij zo bang zijn voor de Islam?
Fatema Mernisssi vraagt zich in haar artikel “The Casablanca Dream;. Weaving peace into Globalisation” zich het zelfde af.
Ze begint met een quote van Sonja Asal uit ” Secular Modernity? Revising a Self-perception.” :
“The theory of secularization that has been advocated since the 19th century in different variations by nearly all social scientists basically argues that, with increasing modernization, religions not only lose their significance for political life, but also become a purely private matter and ultimately decline as institutional entities. It follows that public manifestations of religiosity will appear either inexplicable or as atavistic echoes of an outmoded understanding of the world.”
Zij vraagt zich vervolgens af hoe het mogelijk is dat het wetenschap aanbiddende Westen niet alleen religie als vijand poneert, maar in het bijzonder de Islam als angstaanjagend beschouwt. Haar antwoord zoekt ze in Amartya Sen’s kritiek op Samuel Huttington in zijn boek “Identity and Violence” :
“to reduce a person’s identity to his religious affiliation as Samuel Huntington does in his famous “Clash of Civilizations” thesis is a “sharply carpentered vision”… “In partitioning the population of the world into those belonging to ‘the Islamic world,’ ‘the Western world’, ‘the Hindu world’, ‘the Buddhist world’, the divisive power of classificatory priority is implicitly used to place people firmly inside a unique set of rigid boxes.”
Waarop Fatema zich afvraagt of de preoccupatie van het secularisme,- wat ik het conservatieve denken noem -, met het op zichzelf staande individu het gevoel van verbondenheid met een geheel verzwakt. Als dit zo is dat het dan begrijpelijk is dat de gedachte van een universele gemeenschap binnen de Islam als bedreigend wordt ervaren.
“So, could it be that Islam’s universal claim is instinctively perceived as a threat for the Western secular states, which limit their allegiance and promises to their geographically defined citizens? Is it the universality of the umma – a community which ignores ethnic and geographic boundaries – which threatens the secular, geography-bound Western States and if so, how can we help them adjust to this cosmo-psychological phenomenon?”
Fatema Mernissi komt met een handreiking, een verzoening om de vreemdeling tot bondgenoot te maken.
© oktober 2007 Ina Dijstelberge







Deelnemerslijst